| wedstrijden

04-08-06

GESPREK MET EEN SLANG

‘Jij bent wel een beetje vergeetachtig,’ zei de man.
De slang keek de man aan en zei:
‘Dat is het mooie aan slangen. Ze vergeten wat is geweest en kunnen juist daardoor zonder waarschuwing bijten.’

Ze kronkelde zich uit pure wellust rond een tak van de enige boom op de vlakte.

‘Onthouden is vermoeiend, man.
Dus kiezen we steeds voor de minst vermoeiende versie, en dat is: jij bent de slechte, en wij zijn de rechtvaardigen.’

‘Je bent er vroeg mee begonnen, slang.’
Ze dachten tegelijkertijd aan de boom der kennis van goed en kwaad in het aards paradijs.

‘Voor een mooie vrouw sis ik mijn sluwste woorden, man. En mooi was ze.’
‘Je werkte in dienst van de Schepper, vreemd.’

De slang trilde met het puntje van haar staart. Opwinding? Genot? Woede?

‘Slangen zijn tamelijk zelfstandig, ook als ze in iemands opdracht werken.
Van bewaker werd ik verleider.
Tegenwoordig gaat het andersom: de geliefde bewaken elkaar, en daarna zijn ze verbaasd dat hun verleiding maar flauwtjes is, en dan zeg ik het nog vriendelijk als ik aan mannen denk.’

‘Eva wilde weten. Ze wilde deel hebben aan de verborgen en verboden kennis.’
‘Juist. Dat is het mooie aan vrouwen. Ze wijken voor niets of niemand. Adam kon al die kennis niets schelen, botergeil als hij was, at hij van de appel om daarna ...enfin, je begrijpt wat ik bedoel.
Maar Eva was voor het geheim gemaakt. Zonder Eva’s was de wereld een saaie boel van platvloerse plannen en bange wezels.’

Ze zuchtte diep en legde haar kronkels losjes om de tak.

‘Je kunt alleen verstandige wezens verleiden. Ze voorstellen nog slimmer te worden. Mannen denken dat ze de wereld zelf hebben geschapen, je kunt hen dadelijk tot slachtoffer bombarderen. Bij het minste denkbeeldige pijntje beginnen ze te jammeren en zijn ze op zoek naar een oorzaak buiten hen.
Mannen zijn gemakkelijk. Ze pakken wat ze kunnen krijgen, en ze moeten met veel zijn zodat ze elkaar leugens en verzinsels kunnen verkopen als waarheid.

‘Maar waarom joeg de Schepper hen dan het paradijs uit, slang?’

‘Uit jaloezie, beste man.
Kijk van je op hé?
Jaja, God is een jaloers wezen.
Ik begrijp hem wel. Hij zag die twee eerste mensen in zijn lusttuin stoeien en krioelen, hij zag hun eindeloos geluk, hun kinderlijk gedoe tenslotte, je weet wel: kusjes, strelen en hupsaké, roepen en kreunen, en dan in elkaars armen in slaap vallen.
Op het eerste gezicht allemaal onnozel en wat ze nu ‘onschuldig’ noemen, maar ze leefden als dieren, zonder tijdsbesef, zonder angst.
En omdat God alles weet , besefte hij dat hij jaloers was op dit eenvoudig genot.
Dat viel hem tegen, want hij was tenslotte God.
Maar het viel hem ook mee want hij had dat menselijk kentrekje bewaard dat hij later nog eens zou gebruiken als hij intens en oprecht medelijden had met de lammen en de blinden.
Medelijden en jaloezie zijn broer en zus, wist je dat?’

Ze spande haar kronkels weer op en siste opgewonden:

‘’En die boom der kennis van goed en kwaad zou hen laten deelhebben aan de verborgen en verboden kennis, dus zouden ze IN de tijd stappen, eindig worden, mekaar naar het leven staan, de waarheid verdraaien, roddelen en kwaadspreken, vergeten hoe goed ze het hadden.
Daarom moest ik de boom bewaken en ze in hun blote billen bijten als ze te dichtbij kwamen.
En al wist god dat ze van de appel zouden eten, er was toch nog altijd dat waterkansje, dat momentje dat in een geheugenplooi van zijn goddelijk brein was verloren gelegd, en dan...’’

‘En zo werd de bewaker een verleider?’
‘Juist. En daarom koos ik ook Eva. Mannen zijn te dom voor verborgen kennis.
Vrouwen hebben ogen om de diepte te peilen terwijl mannenogen kijken wat ze kunnen vastgrijpen of stukmaken.’

Ik zuchtte diep.
Toen ik op mijn horloge keek, wist ik dat ik te laat voor het avondeten zou zijn.
Was dat niet de schuld van die ellendige slang?


11:23 Gepost door VOF De Kleine Studio in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

19-03-06

HET MALEN IN JE HOOFD

Het was al heel laat.
Of vroeg.

Vanuit het standpunt van gisteren was het laat.
Vanuit de hoek van vandaag eerder vroeg.

Als geen ander wist hij wat slapeloosheid was.
Moe zijn, maar niet kunnen of mogen slapen.

Er waren de molentjes.
In zijn hoofd.
U kent ze wel.

Het is een kwestie de molenaar te vinden, zei een stem.
De slapeloze verbaast zich over niets.
Tenzij over de slaap.
Maar stemmen zeggen hem niets, dus duurde het even voor hij haar nog eens hoorde.

Het is een kwestie de molenaar te vinden, herhaalde de stem haar boodschap.
Hij weet hoe hij zijn molen kan stilzetten.

De slapeloze antwoordde niet.
Het leek wel een mooi idee.
Ken jij hem, vroeg hij aan de stem in het donker.

Hoeveel molens heb je draaien?
Hij wachtte even.
Ook de stem wachtte geduldig.
Ik denk zo’n honderd, maar het kunnen er ook meer zijn.

En wat malen ze?
De stem bleef rustig klinken, niet geïrriteerd zoals de dokter of de hulpverlener van dienst.

Mijn gedachten, zei de slapeloze.
Heb je dan zoveel gedachten, vroeg de stem.
De slapeloze knikte maar besefte toen dat hij in het donker lag te praten.
Maar de stem begreep ook zijn knikkend gebaar in de duisternis.
De liefde, vroeg ze, alsof ze over het weer sprak of over de promoties in de supermarkt.
Onderandere, antwoordde hij.
De afbetalingen, de loeders op ‘t kantoor, de toekomst van de mensheid, ging de stem verder.

De slapeloze glimlachte.
U moet het nu ook weer niet te ver gaan zoeken.
Ik probeer de molenaars een naam te geven, zei de stem, nog net zo rustig als voorheen.

Ik kan proberen de molens te tellen, probeerde hij de stilte te breken.
Als we nu eens Josef zegden tegen de molenaar die de liefde maalt, stelde de stem voor.
Ik denk dat Pilatus een betere naam is.
Bon, Pilatus dan. Probeer hem te zien staan.

De slapeloze sloot zijn ogen en zag Pilatus staan.
Hij had een pet op, en meel tussen zijn lippen. Ook zijn wenkbrauwen waren wit van het gemalen graan.

Ik zie hem, zei de slapeloze.
Pilatus keek stroef zoals een molenaar uit een sprookje.

Hij kijkt boos, zei de slapeloze.
U houdt hem wakker. Elke nacht moet hij voor u malen, zei de stem.
Van mij mag hij stoppen, maar het is sterker dan mezelf.

De molenaar schudde zijn hoofd zoals mensen die ‘je moet nu niet overdrijven’ zeggen zonder woorden.

En wat heeft hij gemalen, vroeg de stem.
De slapeloze keek of er tegen de molenwand zakken stonden.
Ze stonden er niet.
Lucht, zei Pilatus. Donkere dunne lucht.
Hij krabbe onder zijn met meel bestoven pet en schudde weer het hoofd.

Laat hem een stapje of twee vooruitkomen, zei de stem.
De slapeloze hoorde het zoeven van de wieken.
Vooruit? Dat is levensgevaarlijk.
Durf je niet, vroeg de stem.
Ach wat, maar het is wel een beetje wreedaardig.
Waren ze dan zo zacht voor jou, vroeg de stem, lichtelijk spottend.

Ik zal u iets in het oor fluisteren, meneer Pilatus, zei de slapeloze, verbaasd over zijn moed.
Pilatus keek niet eens argwanend. Hij zette twee stappen vooruit, wilde net zijn hoofd vooruitsteken toen hij een slag van de molen kreeg.

Ik wens u verder een goede nacht, zei de stem, of was het het hoofd dat met een fluitende toon in de ruimte verdween.


00:54 Gepost door VOF De Kleine Studio Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

28-02-06

JE BENT WIE JE BENT

Zo was er eens een prins en een prinses en die prins hield heel veel van de prinses.
Hij wilde altijd heel dicht bij haar zijn.
"Lieve zoete prinses. Ik hou van jou."
"Hmm. Dat zeggen ze allemaal."
"Echt waar hoor. Ik zou altijd bij je willen zijn. Dag en nacht."
"En dan? Wat zou je dan willen?"
"Hoe dan? Wat dan? Gewoon bij jou willen zijn, omdat ik van je hou."
"En dan?"
"Niets en dan!" Als je van iemand houdt dan wil je er gewoon bij zijn. Kusjes geven, en strelen, en lief zijn, koffie zetten, brood smeren..."
"Wat vervelend zeg. Weet je niets beters te verzinnen?"
"Is liefde dan niet goed genoeg?"
De prinses keek hem hooghartig aan.
"Liefde? Wat jij liefde noemt! Ben je sterk?"
"Sterk? Neen, dat ben ik niet. Maar ik kan heel goed zingen. Luister."
En de prins zong een heel mooi droevig liedje.
"Haha, dat noem jij zingen! Verschrikkelijk. Kun je vechten? Ben je nooit bang? Kun je in de dakgoot van een hoog huis lopen? En zou je in één bed met een tijger durven slapen? Ja? Dan ben je een kerel!"

De prins zuchtte diep.
"Ik ben wel bang. Als ik op een laddertje sta, krijg ik al kippenvel. En met een tijger in één bed slapen? Ik mag er niet aan denken. Je moet wel gek zijn om zoiets te doen."
"Dat noem ik "stoer", prins. Mannen die niet stoer zijn, noem ik geen mannen."
"Maar ik kan met mijn oren bewegen, kijk."
"Daar kun je alleen de vliegen mee op de vlucht jagen, stommerd."
"Ik kan ook heel mooi dansen. Voilà!"
En de prins danste een menuet.
"Dansen! Dat is toch niets voor stoere bonken, echte kerels?"
"Ik vind dansen leuk, jij blijkbaar niet. Hou je niet van mij?"
"Als je sterk en stoer wordt, kom nog maar eens terug."

De prins was heel droevig.
"Kan iemand mij leren vechten? Weet iemand wat je moet doen om nooit bang te zijn? En hoe moet ik in de dakgoot van een heel hoog huis leren lopen en in één bed slapen met een tijger?"
Er verscheen een tovenaar en die zei:
"Ik kan jou leren vechten. Ik kan ervoor zorgen dat je nooit meer bang bent, en dat je in de dakgoot van een heel hoog huis durft lopen en met een tijger in één bed durft slapen. Maar. Er is één maar. Dan moet jij mij ook iets geven."
"Ik wil alles geven wat ik heb." riep de prins.
"Goed zo. Dan vraag ik je stem waarmee je liedjes kon zingen. Geef me ook maar je dansen. En je zult nooit meer met je oren kunnen bewegen."

Dat vond de prins heel erg. Hij zong erg graag en danste als de beste. En als hij met zijn oren flapperde, moesten de kinderen lachen.
"Goed dan. Neem mijn stem waarmee ik liedjes zing maar mee. Pak mijn dansen maar, en maak mijn oren net zo onbeweeglijk als die van iedereen. Maar...maak me beresterk en nooit meer bang. Zorg ervoor dat ik in de dakgoot van een hoog huis durflopen en dat ik zonder bibberen in één bed met een tijger durf slapen. Asjeblieft."

Dat gebeurde. De prins werd heel sterk, nooit meer bang en hij kon in de dakgoot van een hoog huis lopen, zonder gillen. En hij sliep in hetzelfde bed met een tijger alsof hij zijn hele leven al met tijgers had geslapen.
Maar zijn dansen en zingen was hij kwijt. Met zijn oren bewegen kon hij ook niet meer. Maar hij dacht:
"Ach wat! Nu zal de prinses van me houden."

Hij reisde naar haar kasteel en zag dat ze vertrokken was.
Weg. Met een andere man. Die knul die nog sterker was dan hij, nog minder bang en niet alleen in dakgoten liep hij maar ook op de nok van de hoogste daken was hij thuis. En hij sliep niet alleen met tijgers, maar ook met beren en slangen.
De prins huilde.
"Waar ben je nu? Ik heb mijn zingen en dansen weggegeven, en kijk, m'n oren staan vast aan mijn hoofd."
Maar ze was weg en bleef weg.
Toen kwam er een meisje langs dat op de boerenbuiten woonde.
Ze was wel geen prinses maar ze zag er heel aardig uit. Toen werd de prins op haar verliefd.
"O lieve meid. Ik hou zo van jou. Ik ben heel sterk en nooit bang. En ik durf in dakgoten van hoge huizen lopen en met een tijger slapen in één bed. Wel?"

Het meisje keek hem hoofdschuddend aan.
"Och, weer zo'n blaaskaak die denkt dat hij superman is. Ik voel niks voor stoere binken. Ik vind je wel knap. Maar kun je zingen, of dansen of met je oren flapperen? Dat zou ik prachtig vinden."
"Neen, dat kan ik niet meer."
"Jammer. Dan ben je niet de man die ik zoek. Dag."
"Dag." zei de prins.


15:23 Gepost door VOF De Kleine Studio Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

26-02-06

ANGSTAANVALLEN

Midden in de nacht schrikt Vera wakker.
De kamer is veel hoger geworden. De wanden zijn echter dichterbij gekomen. Dit is geen kamer meer, maar een hoge, smalle koker met daarin eenbed, en daarin een bang meisje, Vera.

Geen raam, geen deur, geen licht. Vera wil roepen, maar ze kan haar mond niet open krijgen. Ze wil rechtop gaan zitten,maar geen spier werkt nog.

Nu begint de zoldering te dalen. Ze zal op Vera vallen.
Waarom kan ze niet weg? Waarom weegt haar lichaam duizend kilo?

De zoldering heeft een gezicht. Twee holle ogen, een lange neus waar vroeger de lamp hing, en een grijnzende mond. Dat gezicht komt dichter en dichter.

"Goede morgen, meisje van mij," zegt haar moeder dan.

Vera zucht.
"Moest je me net nu wakker maken, mama? Ik had zo'n heerlijke droom."

Vera houdt van griezelen. Ze heeft haar kamer zwart geschilderd. Haar bed is een open doodskist. Haar werktafel wordt verlicht door druipende kaarsen. Ze schrijft alleen met rode inkt.

Vera's lievelings-cédé’ s zijn de geluiden van huilende wind, rammelende kettingen en ijselijke gillen.
De deur van Vera's kamer knarst.
Er is ook een terrarium met een slang. Dat is Vera's huisdier.

Denk nu niet dat Vera een naargeestig meisje is! Vera houdt van iedereen, en iedereen houdt van Vera.
Al speelt ze graag verstoppertje op het oude kerkhof, al vindt ze het heerlijk dat je haar aan het schrikken brengt, al wil ze graag zwarte jurken en vampiertanden dragen, iedereen vindt het leuk als Vera er bij is en griezelverhalen vertelt.
Zoals andere kinderen een lachbui krijgen, wordt Vera soms door angst overvallen.
Midden in de les aardrijkskunde beginnen haar ogen te draaienen gilt ze het uit.
"Er zit een vogelspin achter het bord, juf!"
Wat de juf dan ook mag beweren, het helpt niets. Na enkele minuten hoort de hele klas de spin achter het bord kruipen, en als Vera roept dat ze de harige poten ziet verschijnen, ziet de hele klas, de juf incluis, de spin ook werkelijk verschijnen, ook al er is helemaal geen spin.

"Ze kruipt onder je jurk, juf!"
De juf begint wild om zich heen te slaan.
"In al onze banken zitten vogelspinnen!"
De kinderen vluchten de klas uit, achtervolgd door de gruwelijke spinnen.
Pas als ze op de speelplaats staan, beseffen ze plotseling dat de spinnen niet bestaan en durven ze terugkeren.

"Dat was lekker griezelen," zegt Vera dan. "Wat kan griezelenje toch opluchten."
Op straat ziet Vera overal boze mannen. Ze willen haar kidnappen. Vera begint te lopen. De boze mannen lopen mee. Ze staat stil. De boze mannen staan stil.‘

"Ik heb jullie gezien!" denkt ze. "Jullie hebben je vermomdin gewone mensen, maar jullie zijn levend geworden lijken."

In de bus voelt ze iedereen naar haar kijken.
"Dit zijn de wezens van de bloedige planeet Mars," denkt ze.
"Ze hebben mij in deze bus gelokt, en weldra stijgen we op en dien ik als avondmaal."

Waar Vera's huis staat, was er vroeger een roversburcht.
Honderden mensen kenden er een vreselijk einde.
Als Vera in de kelder iets gaat halen, hoort ze de stemmen van de slachtoffers roepen.
Het is er kil en het tocht er.
Vera houdt van de kelder. Ze wilde er heel graag haar kamertje van maken, maar dat mocht niet van haar ouders.
Als het heel hard waait, voelt Vera zich in topstemming.
Ook bij onweer is ze vrolijk. Vooral als de krakende donder het vensterglas laat trillen.

Ze houdt van Patrick. Hij is mager en heeft lange,uitstekende tanden. Ze noemt hem: "Mijn lief vampiertje."

Maar Patrick is bang. Als hij nog maar een spinnetje ziet, begint hij al te zweten. Bij onweer kruipt de jongen onder bed. Als hij naar de kelder moet, zingt hij heel luid en rent hij alsof zijn leven ervan afhangt.

"Ik zal je leren griezelen," heeft Vera Patrick voorgesteld.
"Je lijkt op de zoon van Dracula," zegt ze hem.
Toen heeft ze hem niet meer terug gezien. Zou ze een advertentie plaatsen om een nieuw vriendje te vinden?
"Aardig meisje dat van griezelen houdt, zoekt magere jongen met ingevallen wangen, holle ogen en vooruitstekende hoektanden. Grafstem strekt tot aanbeveling."‘

Als Vera nare dagen heeft, kan niets haar laten griezelen.
Ook al blaft de hond nog zo schor in de donkere verte, al lijken de bomen op akelige spoken, al huilt de wind langs de huizen en is iedere geluid de doodsreutel van een onschuldig kind, Vera blijft droevig.
De mensen in de bus blijven gewone mensen, de voorbijgangers zijn voorbijgangers, en achter het bord in de klas is er alleen maar stof.

Tot Vera weer zo'n prachtige droom krijgt:
De muren van haar slaapkamer bewegen. Wie zit er achter het behang? Vreselijke klauwen scheuren door het papier. Behaarde monsters komen naar haar toe. Ze kan zich niet verroeren. Ze weegt duizend kilo.

"Goede morgen, mijn meisje." zegt haar vader dan.


17:00 Gepost door VOF De Kleine Studio Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

22-02-06

DE JAS, EEN SCHEPPINGSVERHAAL

Er wordt vrijwel nooit verteld wat er met Adam en Eva gebeurde toen ze uit het paradijs zijn verdreven.

Jaja hun kinderen, Kaïn en Abel, waren niet zo'n beste maatjes, maar wat is er met het oer-ouderpaar geschied?

We weten dat ze niet meer in hun blootje rondliepen, want ze hadden het eerste textiel uit twijgen en takken vervaardigd omdat ze na de zondeval blijkbaar beschaamd waren geworden.

Nogal wat fatsoensrakkers, moralisten en andere engerds gebruiken deze passage om het verderfelijke van seks in beeld te brengen.
Als kind heb ik altijd gedacht dat deze val iets met slangen en appels had te maken, maar ouder geworden kreeg ik onder invloed van bovengenoemde heren en dames een vleselijker beeld van de slang en de appels.
Daar zat het dus.

Op een nacht verscheen God mij en zei:

Schepsel, ge zit fout. God kan toch niet tegen plezier zijn. God is plezier.
Ik heb die twee uit het paradijs verjaagd omdat ze stiekem leerden lezen en schrijven.
Is schrijven dan een zonde?' vroeg ik geschrokken.
'Schrijven niet, maar de gevolgen ervan wel! Daardoor immers wilden ze nog eeuwiger dan god zijn. Ze wilden dat er iets van hen overbleef als ze weer van de aarde verdwenen waren.'
'Maar in uw paradijs was er toch geen dood, God?'
'Kom kom jongetje, elk pretpark kent zijn verzadigingspunt. Dus mijn paradijs ook.'
'Er was dus toch... dood?'
'Ik noemde het anders hoor. Ik noemde het “lang-slapen”, en de eerste mensen wisten niet eens dat het zou gebeuren. Ze leefden van seconde naar seconde zonder zelfs te weten dat er secondes bestonden.'
'U was dus jaloers toen u zag dat Adam en Eva zichzelf leerden schrijven?'
'Jaloers, jaloers. Wat heet jaloers? Maar er is een God en als je mensen een vinger geeft dan nemen ze dadelijk je hele goddelijke arm.'
'En die appels dan, en die slang?'
'Die slang leerde hen dat alles een naam heeft. Vroeger had niets een naam, net zoals ik, de onnoembare.'
'Waarom deed die slang dat?'
'Dat was mijn plan. Eens kijken of ze aan zo'n woord als 'appel' bleven hangen.”
'En?'
Ze waren er gek op, de stuntels. Vroeger was een appel een smaak, een gedachteloos doorbrengen van tijd, een vergelijkbaar volume met wat ze beiden aan hun lichaam hadden hangen, een verbeelding van lust dus. Maar nu, nu kreeg hij een naam: APPEL. En daardoor werd die appel aan zijn kortstondigheid onttrokken en verliet hij de tijd. Daarbij wilde dat serpent hen ook nog het woord leren schrijven ( zo had ik het geprogrammeerd) en dat vonden ze nog leuker. Eva schreef heel sierlijk de eerste a, en Adam herkende die klank uit zijn eigen naam, en jawel hoor, ze begonnen te schrijven, met al de letters uit appel, slang, Adam en Eva.
Dus kreeg je van die onzin als pang, slap, pels, mals en vals en ga zo maar verder. De boom der kennis pikten ze van me weg. En toen was het uit.
Ik riep mijn engel met zijn vlammend zwaard en ik ging op mijn wolk zitten en liet de slang daarop schrijven: jullie zijn BLOOT. Voilà. En nu pas zagen ze dat ze bloot waren, dat ze geen pels hadden zoals alle andere schepsels. Ze waren niet beschaamd om dat speelgoed tussen hun benen dat weldra tot zaaigoed zou beperkt worden. Neen. Ze waren beschaamd omdat er een woord bestond voor hun pelsloze toestand en daardoor kregen ze het koud en zochten takken en twijgen en maakten daarmee de eerste jas en niet de eerste onderbroek zoals sommigen jullie willen laten geloven. Een jas dus, van hier tot hier. Ze vlogen uit het paradijs maar de kunst van lezen en schrijven kon ik ze niet meer afnemen.
Ze werden van woordeloos paradijs-gebroed tot woordenmakers op een onherbergzame planeet. En de schrik had ze te pakken!
Van het woord BLOOT naar DOOD is maar één stapje. Ze werden zich dus ook bewust van hun dood, en dat was de ergste straf die ik voor hen kon bedenken. Maar nog altijd denken ze mij te kunnen vangen hè! Ze schrijven en roepen zich te pletter.
Over alles en niets hebben ze 't. En ze doen zo stoer mogelijk in hun geschriften en verhaaltjes!
Ze stapelen ze in boeken bij elkaar, discussiëren er dan over, houden er middagen van de poëzie mee, slaan er elkaar mee in de boeien, verkennen met die taal hemel en aarde en alles wat er tussen is, en als ze dan dood gaan, blijven die woorden achter, zodat ze inderdaad blijven bestaan, de slimmerds.
Ze zijn me dus toch ontsnapt, en daarom heb ik een voorstel.”

Hij keek me met tijdeloze ogen aan, ik voelde hem op zijn sloefen afkomen.

'Als jij dus die woorden opgeeft, schrijvertje, mag je weer bloot in mijn tuin rondlopen. Met de mooiste vrouwen of prachtigste jongens, kortom: ge weet wat ik bedoel. Ge zult niet meer beseffen dat ge zult lang-slapen maar...vergeet dat ge kunt lezen en schrijven. Wel?'
’'Neen, zei ik. Neen.'
'Jamaar, ik ga het u lastig maken met uw woordjes hè. Ge draait de gevangenis in, ze zullen u martelen, uw liefdes zullen u verlaten, ge zult de verkeerde woorden op het verkeerde moment gebruiken, ge zult struikelen over uw woorden, ge zult..'
'Doe verder, god, zei ik, doe verder..' terwijl ik alles driftig zat te noteren. Ik vang u in uw woorden. De w als een vogel, alle vogels zijn w's en dan de oo van verbazing, of het oor dat kan luisteren en een den in een te warme kerstkamer: w-oor-den.
De w als een vogel, alle vogels zijn w's, en dan ikke, ja god, ikke, en de lens van uw alziend oog maar zonder de s zodat ze niet zo streng focust: w-ikke-len: wikkelen. Woorden wikkelen. De mooiste jas die ik om mijn blootje kan doen, een jas van clichés en uitroepen, verrassende vertellingen, willekeurige zinnen, recepten en briefjes: ben even naar de post, kusje. Boodschappen van hogere orde, een boel woorden die de stilte voelbaar maken als we beiden in ons blootje staan of liggen.

Toen bloosde god een beetje:
‘Ik weet het, zei hij, ik ben de onnoembare, de woordeloze, al hebben ze mijn liefde in overvolle woorden tot wetten en voorschriften versmacht, maar zelf ben ik ..hum.. analfabeet. Ik ben wel de alfa en de omega, maar ik weet bij god niet wat er nog allemaal tussenstaat.'
'Waar wil je naar toe, god?'
'Wel..ik heb soms van die opwellende gevoelens, hè, en tot hiertoe moest ik daar vulkanen mee laten uitbarsten of profeten huren die alles naar hun kant draaiden,(of cecil b de mil die met zijn lasapparaat de tien geboden schreef) maar...zou je mij willen..leren lezen en schrijven zodat ikzelf kan uitdrukken wat ik bedoel.'
Ik keek hem geschrokken aan.
'God, zei ik. Godverdomme.'
'Jaja, ik hoor niets.'
'God ik wil wel, maar ik ben niet waardig.'
'Dat valt best mee,' vleide hij.
'Maar dat betekent dat ge uw doorluchtige eeuwigheid zult moeten verlaten, dat ge...alé dat kan toch niet!'
'Menneke, zei God, ik wil ver gaan!' (als god vertrouwelijk spreekt, begint hij steeds in het dialect!)
'Hoe ver?'
'Wel, we zullen 't zo zeggen: het woord is vlees geworden.'

En hij verloor zijn strenge blik, kreeg de ronde schouders van een jongetje, de avontuurlijke schittering met heimwee naar kampvuren en sterrenkijken was op zijn gladde huid geschreven.
Hij liep aan mijn hand tot aan de schoolpoort, draaide zich nog eens om en zwaaide en verdween dan in de klas waar ze vandaag de letter G gingen leren schrijven.

Rotterdam 1991, bij het uitbreken van de golfoorlog.
Publieke lezing bij Story International.


14:51 Gepost door VOF De Kleine Studio Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

17-02-06

ELVIS LEEFT, EEN GRIEZELVERHAAL

1. FAMILIEPORTRET

Ja, je moeder is gek op Elvis Presley, the King van de Rock 'n Roll.
Ze gelooft dat hij nog steeds leeft ook al is hij in 1977, het jaar van jouw geboorte, gestorven.
Soms ziet ze hem op straat lopen, of erger nog: als ze van hem droomt gelooft ze dat hij haar een teken wil geven om haar tegen dit of dat onheil te behoeden. Of ze denkt dat ze nu dringend op de lotto moet spelen om eindelijk de superprijs van honderd miljoen te winnen en een villa te kopen die ze dan als Graceland, de woning van The King, wil inrichten.

Nu ze van je vader, haar ex-man, een ipod heeft gekregen wil ze alle platen nog eens op cd kopen, want dan kan ze haar echte oldies sparen en blijft Elvis krasvrij uit de boxen rocken.

Ze heeft zo'n dertig plakboeken van haar idool, en als ze verdrietig is, zit ze er eindeloos in te bladeren en hoor je haar nu en dan kreunen of zuchten.
Je vader heeft een bescheiden villaatje aan de zee. Hij leeft er met zijn vriendin en zijn hond als hij tenminste niet de halve wereld afreist voor zijn werk.
Hij bouwt kant-en klare warenhuizen in de vijf werelddelen.
Niet dat hij zelf ooit één steen op een andere heeft gelegd, maar hij verzorgt de promotie voor zijn firma en probeert nieuwe klanten te ronselen en hen een winkelcentrum of een warenhuis aan te praten.
Hij heeft een hekel aan Elvis Presley en misschien was dat wel één van de redenen waarom hij je moeder heeft verlaten.
Zijn muziekkeuze vind je echter al even vervelend.
Hij zweert bij Dixieland-muziek en legermarsjen.
Nu en dan draait hij nog eens een liedje uit zijn tienertijd, dat waren de zestiger jaren, maar dat gebeurt meer uit heimwee dan uit werkelijke liefde voor de muziek.

En zo komt het dat je na 'Love Letters' uit Elvis' Gold records, volume 4, te horen krijgt dat je over een dag of twee aan zee wordt verwacht voor je jaarlijkse vader-vakantie.
Je had gedacht er dit jaar aan te kunnen ontsnappen en daarom zweeg je in alle talen als het onderwerp vakantie ter sprake kwam.
Maar net als je het moederlijke medelijden wil opwekken door haar te verklaren dat je haar niet zo lang alleen kunt laten, begint Elvis aan zijn Witchcraft met de sprekende zin: “ Don't do that, please stop it. Please stop it now You know I can't take it. Please stop it now!'

En dat mag dan duidelijk genoeg zijn zodat je besluit het lot te aanvaarden en je eigen ipod mee te nemen om teminste toch nog een reeks auditieve vrienden te hebben als je vader lang wil uitslapen en de hond Tes je enige wandelmakker zal zijn.

Je sorteert The Doors bij je verzameling Barokmuziek en je zoekt tot je De Toverfluit hebt gevonden en de laatste van van Phil Collins.
Je weet dat zowel je vader als zijn vriendin Hennie voor de zoveelste keer zullen zeggen: 'Hoe kun je dààr naar luisteren?'
Maar net zoals altijd zal je glimlachen en zwijgen omdat volgens je moeder smaken nu eenmaal verschillen en niet iedereen kalfsmedaillons Alexandra (je lievelingsgerecht) het einde vindt, en een hamburger met frietjes ook lekker kan zijn. (volgens je vaders vriendin.)

Je beseft dat je vader zijn best zal doen zich als vader-aan-het-strand te gedragen, en je hebt nu al een afkeer van zijn urenlange pogingen je te overtreffen met petanque of je uit te nodigen voor een fietstochtje naar het Zwin waar hij voor de zoveelste keer je de namen van de vogels zal citeren (namen die je in een foldertje op zijn bureau hebt teruggevonden!)
Je mag er niet aan denken dat Hennie hem zal bemoederen. Je weet dat ze nog maar eens haar best zal doen om gewoon te zijn, zodat haar uitspraak: “zeg maar Hennie hoor als je mama niet gepast vindt”, eerder zielig dan goed bedoeld overkomt.

Je verbaast je er dan ook niet over dat je besluit dit jaar extra moeilijk te doen over het eten en vragen te stellen naar hun beider jonge jaren.
Vooral zijn vader wil daar niet mee geconfronteerd worden en als Hennie het uitroept: 'Och, Frans, wat leuk nou,' dan zucht zijn vader en krijg je een verwijtende blik waarin het zinnetje: je hebt je vader pijn gedaan, in neonletters in zijn ogen aan en uit blijft flitsen.

En zo komt het dat je op een zonnige augustusdag de trein neemt, uitgewuifd door je moeder die onmiddellijk daarna met een pas opgedane vriend naar de Ardennen zal vertrekken.
Je bekijkt de horden families die met koelbox en kinderen een dagje naar zee trekken, en je bent een beetje jaloers als je een jonge vader zijn peuter ziet wiegen tot het kind in zijn armen in slaap is gevallen.
Je besluit je opod op te zetten om je af te zonderen van de banale wereld en tot je grootste afgrijzen merk je dat je één van mama's nummers hebt opgenomen waarin Elvis Presley Loneley man begint te zingen.
Voor de eerste keer luister je naar de tekst en je goed gecamoufleerd -zelfmedelijden kan nu zijn ware gelaat tonen:

'It's a lonely man
Who wanders all around, It's al lonely man
Who roams from town to town
Searchin'always searchin'for something he can 't find
Hopin' always hopin' !that some day fate will be kind!'`

En terwijl een meisje van zo'n jaar of zeven je stralend aankijkt, het refrein: 'It's a lonely man
Who travels alone
When he has no one
That he can call his own.'

Het meisje vraagt iets. Je zet je ipod af zodat de omgeving beeld en klank krijgt.
Of je het liedje van Samson kent, Samson de televisiehond?'
Je wil haar zeggen dat Samson je kan gestolen worden, maar uiteindelijk ben je gecharmeerd dat een menselijk wezen het woord tot je richt en je verklaart dat je aan zee ook een hond hebt die naar de naam Tes luistert, als hij dan al luistert.
Neen, spreken kan hij niet. Misschien 's nachts, of met kerstmis, want dan gebeuren er wel eens wonderen waar de mensen hun mond houden en de dieren beginnen te praten.
Het meisje wordt door haar moeder tot de orde geroepen. Ze mag geen vreemde mensen lastig vallen.
Ze krijgt een stripboek voor haar gezicht terwijl je eigenlijk zin hebt om te zeggen :
‘Waarom moeten ouders altijd hun kinderen regisseren?'
Maar je zwijgt en net als je een ander nummer op je ipod wil zoeken, lees je een titel in de krant waarachter de vader van het meisje zich schuilhoudt:
' LEEFT ELVIS PRESLEY NOG?'

Veertien jaar na zijn dood zijn er nog steeds mensen die beweren dat The King van de Rock and Roll nog in leven is.
Zo zegt een vierenvijftigjarige man dat hij Elvis aan de Belgische kust heeft opgemerkt.
Hij beweerde bij hoog en bij laag dat het hier niet ging om één van de vele imitatoren, maar dat hij Elvis werkelijk had gezien terwijl hijzelf op zoek was naar een parkeerplaats in de badstad Heist.
Waarschijnlijk speelde het warme weer de fervente fan parten.
Hijzelf immers stond jarenlang bekend als de Elvis van de Vlaamse kust.
Hij trad op in verschillende playback-shows en heeft thuis een opmerkelijke verzameling platen en prenten van zijn idool.
Hij is aangifte gaan doen op het plaatselijke politiebureau.
Dat men aldaar nogal sceptisch stond tegenover verschijningen uit het hiernamaals zal niemand verwonderen.
Later deden familieleden aangifte van zijn verdwijning.
Opzoekingen hebben tot hiertoe geen resultaat opgeleverd.

Je begint je af te vragen of je door Elvis achtervolgd wordt.
Je troost je met het idee dat de kranten in de zomerperiode allerlei idiote nieuwtjes opblazen om hun pagina's te vullen.
Het bekende monster van Loch Ness verschijnt vooral tijdens deze maanden, waarom dan ook niet Elvis?
En je voelt je getroost als Phil Collins 'In the air tonight' begint te zingen.
'Het zal deze avond onweren,' denk je, als in het station van Heist aankomt.

2. VERBOUWINGSWERKEN

De veertienjarige Bram Heyman staat voor de deur van vaders villaatje.
Het zou een zin uit een doordeweeks dictee kunnen zijn.
De tweeënveertigjarige Hennie, vaders vriendin, opent de deur en zegt: 'Bram? Jij?'
Bram Heyman vraagt zich af of hij sedert het eerste weekend van juni zo erg veranderd is.
'Ja. Ik ben het echt. Is er iets met papa?'
'Neen, neen, helemaal niet. Maar ik verwachtte nog een leverancier. Spoedbestelling.

Nu pas merkt Bram op dat Hennie een witte doktersschort draagt.
Bijna komt de vraag over zijn lippen of ze misschien doktertje aan het spelen zijn, maar hij kan de woorden nog net binnenhouden.
Ze bemerkt zijn verbazing.
'We zijn met verbouwingswerken bezig. Muurtjes uitbreken en schilderen, begrijp je?'
Ze zegt om de drie zinnen 'begrijp je?' zodat elke aangesprokene het idee krijgt niet vlug van begrip te zijn.

'Echt iets voor de vakantie!' antwoordt hij.
'Lieve schat maak je maar niet ongerust hoor. Je papa heeft voor de hele maand augustus een appartement op de zeedijk gehuurd zodat jij niet in het vuil en de rommel moet zitten, begrijp je?
Het is appartement A1, residentie Mijana, ingang langs de Parkstraat. Ik leg even uit hoe je er makkelijk komt.'

Ze wil aan haar uitleg beginnen als Bram in het huis een doffe kreun hoort.
Hennie kijkt verschrikt.
'Momentje, ik moet even helpen denk ik.'
Tot zijn verbazing wordt de voordeur voor zijn neus dichtgedaan en hoort hij Hennie roepen:
'Alles in orde, Frans?'
Er komt een gemompel van op de eerste verdieping.
Geluid van Hennie die de trappen opstormt, en dan begint er een plaatje van Elvis te draaien: 'Love me tender.' Weer gestommel op de trappen en Hennie doet nog hijgend de deur open:
'Niks aan de hand hoor. Je vader..enfin...Hij zal je straks goeiedag komen zeggen. In zijn werkkleren is hij niet om aan te zien. Dus, je volgt de grote baan tot aan de dijk, en dan tegenover het zwembad De Raan vind je de residentie Mijana. Hier is de sleutel. Eerste verdieping. Dag schat.'
De deur klapt dicht. De muziek breekt af. Geruzie, of is er nog een derde in de woning?
Bram zucht. Dit is het meest vreemde welkom dat hij al meemaakte. Wat willen ze voor hem verbergen? Dat ze iets willen verbergen is zo goed als zeker. Volwassenen zijn heel slecht in iets wegmoffelen, vooral tegenover kinderen.

Hij besluit zijn vader grondig aan de tand te voelen en zeult met zijn valies naar de dijk.
En die muziek? Hij zou voor minder aan Elvismania beginnen lijden! Kan [natuurlijk net zo goed toeval zijn, want deze tijd van het jaar draaien alle radiostations Elvis op elk uur van de dag.

Het is een leuk appartement met zeezicht en zicht op de duinen.
Van op de eerste verdieping bekijk je de mensen op de dijk van heel dichtbij.
Nu is Bram echt op vakantie, net zoals vroeger toen hij met zijn moeder en vader voor een weekje aan zee logeerde.
Hij laat zich in de zetel zakken en pakt bijna automatisch een tijdschrift op het bijzettafeltje.

ELVIS, EEN MYTHE, EEN RELIGIE OF EEN WAANZIN '

'O neen! Hij bekijkt de foto met het pafferig gezicht van de oudere rockzanger.
De tekst wil hij niet meer lezen. Maar zelfs op het toilet ligt er een tijdschrift met daarin een uitvoerige beschrijving van de laatste uren van de rockster.
Willen ze hem gek maken of zijn dit nog overblijfselen van mama' s verzameling?
Maar hoe komen die dan hier op dit appartement?
Veel vragen kan hij zich niet stellen, want zijn vader verschijnt.
Hij heeft zich heel duidelijk gehaast.
'Je komt wel een beetje ongelegen, met al die ... werken. Maar je moeder stond erop dat ik deze maand voor jou zou zorgen. Dus...'
En hij trekt het bekende vermoeide vadersgezicht waarin de last van het leven zichtbaar wordt.
'Ik trek mijn plan wel.'

Nu zou zijn vader hem wat medelijdend moeten aankijken zodat hij niets anders kan dan zijn hulp aanbieden.
Maar zijn vader knikt gewoon, bijna opgelucht.
'Natuurlijk moet jij je niks van al die verbouwingstoestanden aantrekken, Bram. Je hebt hier de zee en het appartement vrijwel helemaal alleen voor jou. Hennie kookt voor je mee en we komen hier gezellig samen eten.'

Is dit zijn vader?
Dus, geen pétanque, geen tochtjes naar het Zwin?
'Ik ben er zeker van dat je hier vlug vriendjes maakt, of vriendinnetjes natuurlijk!'
Al vanaf zijn tiende jaar dringt zijn vader aan op die 'vriendinnetjes'.
Waar is hij bang voor?
'Ik kan me best alleen amuseren. Ik heb mijn ipod bij en verder ga ik tekenen en schilderen.'
'Prachtig! Je bent al een heuse man, die zoon van mij. Hier...'
En tot Brams verbazing haalt zijn anders zo zuinige vader zijn portefeuille boven en trekt er een biljet van vijftig euro uit.
'Voor de eerste onkosten zullen we maar zeggen.'
Nog voor Bram daarop kan reageren, zoemt de telefoon.
Zijn vader maakt een breed gebaar van blijf-jij-maar-zitten en neemt op.
'Ik kom onmiddellijk. (stilte) Tik jij het hoofdstuk over Kolonel Parker in? (lange stilte) Maak je niet ongerust dat zijn zenuw-reakties. Doe geen domme dingen.'
'Ik dacht dat jullie met verbouwingswerken bezig waren?'
'Euh..Hennie doet de boekhouding.'
'En die kolonel Parker is dat één van jullie klanten?'
'Juist ja. Tot strakjes. Je weet dat je vrouwen niet te lang alleen mag laten!'

Het is één van zijn vele flauwe grapjes als hij het over vrouwen heeft.
Bram wil het artikel over Elvis verder lezen als zijn oog op een titel valt:
'KOLONEL PARKER, IMPRESSARIO VAN ELVIS OF GEHAAID MISDADIGER?'
Hij kan zich moeilijk voorstellen dat deze kolonel Parker een klant van zijn vader kan zijn.
Wat ze ook voor hem willen verbergen, hij zal de waarheid ontdekken. En hij wil daar nu onmiddellijk mee beginnen. Onmiddellijk.

3. UITTREKSEL UIT BRAMS DAGBOEK

Vanzelfsprekend repten ze met geen woord over hun 'verbouwingswerken' toen ze ‘gezellig samen kwamen eten'
Ze informeerden naar mijn gezondheid, iets wat ze anders nooit deden, spraken niet eens over mijn schoollresultaten, iets wat ze anders altijd deden, en overstelpten mij met voorstellen om mijn 'groeiende zelfstandigheid’ aan te wakkeren'.
Wat zou ik denken van een uitstapje naar Zeebrugge, of als ik eens de trein zou nemen naar Brugge en daar 'de middeleeuwse pracht en praal in ogenschouw ging nemen' citeerde mijn vader een foldertje.
Wat me wel opviel was dat al hun voorstellen me ver van Heist en zeker van hun woning wilden verwijderd houden.
Toen ik immers zei dat ik me hier ook wel kon vermaken en dat ik zelfs een handje wilde toesteken, werden ze nog vriendelijker en beweerden ze bij hoog en bij laag dat het voor mij vakantietijd was en dat ik tijdens het schooljaar al meer dan genoeg mijn best had gedaan.
Over mijn herexamen wiskunde geen woord!

Ik informeerde waar die tijdschriften over Elvis vandaan kwamen en zag dat vader een boze blik naar Hennie wierp.
'Dat zijn nog dubbels van je moeder,' zei hij. Ik heb ze al maar op het appartement gelegd zodat jij ze later mee naar huis kan nemen.
Het klonk aannemelijk, maar de blik naar Hennie en de overvloedige vriendelijkheid voor mijn moeder deden mijn wantrouwen nog toenemen.

Toen mijn vader ook nog met een player en een stel dvd’ s kwam aanzeulen om de schrale vakantieprogrammatie op zowat alle zenders goed te maken, wist ik werkelijk niet meer wat mij overkwam.
Uitgerekend hij die anders altijd lange zedenpreken hield over de nefaste invloed van het medium televisie voorzag me nu van een boel filmen waarvan ik vroeger nog niet eens de naam mocht uitspreken.
Ze wilden me ver van hen vandaan houden, zoveel was duidelijk.

In de eerste schemering besloot ik hun huis met een stiekem bezoek te vereren.
Het was een prachtige zomeravond. Veel volk op de dijk, maar bijna niemand in de villawijk.
Al van ver zag ik het licht op de bovenverdieping en pas nu viel me de eigenaardige antenne of bliksemafleider op die als een zwarte scherpe naald in het aanrollende donker stak.

Een paar maanden geleden had mijn vader me een dubbel van de huissleutel gegeven en die kwam nu goed van pas.
Onhoorbaar trok ik de deur achter me dicht.
Het eerste dat me opviel was een vreemde geur. Niet de geur van verf of lijm, noch minder van steen of mortel.
Het was eerder een apothekersgeurtje dat onmiddellijk de witte schort van Hennie in mijn geest opriep.
Beneden vond ik niets verdachts.
De hond Tes logeerde bij een vriendin van Hennie hadden ze me verteld .
Zijn overdadige vriendelijkheid kon me dus niet verraden.
Boven hoorde ik stemmen mompelen, daarna het geluid van een soort tandartsboor.
Ik sloop de trappen op. Ik hoopte dat ze nu niet naar beneden zouden komen want ik kon me enkele minuten nergens verbergen.

'Je moet hem nog een paar broodjes brengen!' hoorde ik mijn vaders stem.
'Hij wil niet eten,' antwoordde Hennie duidelijk. 'Hij eist dat we hem onmiddellijk vrijlaten.'

'Vrijlaten?' Wie hielden ze hier gevangen?
'We hebben nog nog één nacht nodig. Hij moet ons alle gegevens uit de laatste jaren geven. We hebben geen duidelijk beeld van de maanden januari tot augustus
'Ik vind het toch gevaarlijk!'
'Henniepon, als we ooit willen rijk worden, moeten we nu doorzetten!'
Ik hoorde een zucht.
'Vooruit dan maar.’

Ik sloop een klein kamertje binnen.
Binnen voelde ik plotseling een klamme hand om mijn nek.
''Je moet mij vrijlaten, of ik wurg je!'
Ik draaide me verschrikt om en keek in de ogen van Elvis Presley.
Ik gilde het uit!

4. ELVIS' JONGE JAREN

'Hij komt weer bij,' hoorde Bram Hennie zeggen.
Door het waas voor zijn ogen verscheen haar geschminkt gezicht.
'Ik lig vastgebonden,' dacht Bram toen hij de leren riemen om zijn polsen voelde. 'Ze hebben mij op een tafel vastgebonden.'

Er verscheen een helwit licht toen Hennie verdween.
'Ben ik ziek geworden? Ben ik geopereerd?' vroeg hij.
Hij probeerde zich de laatste momenten te herinneren. De reis naar papa. De trein. De verbouwingswerken. Het appartement.

Een dokter boog zich over hem. Boven zijn groen mondmasker dacht hij de ogen van iemand te herkennen.
'Niet meer schrikken, Bram. We wisten dat je zou komen.'
'Papa? Wat betekent dit allemaal? Waarom lig ik hier vastgebonden?'
'Dat is voor je eigen veiligheid, jongen.'
Bram keek de kamer rond. Hij lag op een soort operatietafel. Rond zijn hoofd zat een metalen band waarop ze draden bevestigd die naar een computerachtig apparaat liepen.
'Niet ongerust zijn, schatje. Alles komt dik in orde.'
'Maak mij onmiddellijk los! Dit is echt niet grappig, papa.'
'Jouw papa is een genie, jongetje,' zei Hennie. 'Hij zal met jou een fortuin verdienen, begrijp je?'
Onder het groene masker bewoog iets dat op een glimlach leek.
‘We wachten nog even op het onweer, jongen. We hebben die energie nodig om je te transformeren.'
'Transformeren? Het grapje heeft nu echt lang genoeg geduurd.'
Kijk zoon. Tot nu was jij een brave maar wat middelmatige jongen. Daar gaat nu verandering in komen. Jij wordt The King.'
'The King?'
'Elvis,' zei Hennie alsof ze de naam van de Heiland uitsprak. De jonge Elvis. Klaar om de wereld te veroveren, begrijp je?'
'Je hebt altijd een beetje op hem geleken. Kijk.'
Zijn vader dimde het licht en schakelde een computerscherm in.
‘Dit is Elvis, dertien, en dat ben jij.’

Er verscheen een wat bleke wit-zwart foto op het scherm
Ze stelde een jongen voor als cowboy verkleed. Daarnaast een foto van Bram in het voorjaar genomen.
'Hier is Elvis dertien. De gelijkenis is treffend.'
'Maar wat willen jullie van mij?'
'Een jaar later vertrok de jonge Elvis naar Memphis. Ze reden in een aftandse Plymouth, bouwjaar 1937 naar de stad waar zijn vader een baan hoopte te vinden,' ging zijn vader verder alsof hij Bram niet had gehoord.
'Jouw papa ontdekte de gelijkenis toen hij een boek over Elvis las, een boek van jouw mama overigens, begrijp je?' zei Hennie.
'En toen dacht ik: dat is de jonge Elvis niet, dat is Bram!'
'Wat heb ik in hemelsnaam met al die onzin te maken! Maak me los!'

In de verte begon het te rommelen in de avondlucht.
'Het onweer!' riepen ze beiden. 'Schuif de bliksemafleider uit!'
Hennie duwde op een knop en nu hoorde hij weer het geluid van de tandartsboor.
'Jouw vader kwam in Amerika in contact met een fantastisch onderzoeker. Die man beweerde dat hij met de biografische informatie van eender wie nieuw leven kon creëerden!'
'Nieuw leven? Jullie zijn gek!'
'In een reusachtig programma stopten we alle mogelijke gegevens die we van Elvis te pakken konden krijgen. Daarvoor gebruikten we de gedwongen hulp van de meneer die jou daarstraks even hardhandig te pakken had, de Elvis van de Vlaamse kust.'
'De man die beweerde Elvis te hebben gezien?'
'Juist, ja. Je vader huurde daarvoor de Elvis uit Oost-Vlaanderen in, een jonge snaak nog, en liet de man in onze villa verdwijnen toen de Elvis van de Vlaamse kust het politiebureau verliet. Hij was een goudmijn voor ons. Hij wist zelfs welk ondergoed The King droeg.'
'We hebben alle ontbrekende details in onze computer gestopt en zullen de arme man rijkelijk belonen eens ons experiment is gelukt,' ging zijn vader verder.
'Experiment? Welk experiment?'
Zijn vader boog zich over hem en tikte hem zachtjes op zijn wang. Het onweer kwam dichterbij.
'Geef toe, jongetje dat je als Bram niet veel toekomst zou hebben. Je bent zwak in wiskunde, een beetje goed in voordragen en toneelspelen en je houdt van muziek. Wat koop je nu daarvoor? Maar als straks je hersens in één flits alle informatie over The King zullen ingeprent krijgen, dan volg je automatisch zijn spoor. Bram Heyman wordt herboren als de jonge Elvis.’
'Jullie vermoorden mij! Als mama dit te weten komt!'
Hij hoorde Hennie lachen.
'Jouw mama was voor ons een onmisbare hulp, Bram. Frans, maak eens even plaats.'
Zijn vader ging een stap of twee achteruit en toen verscheen zijn moeder, tranen in haar ogen.
'Jij zult heus de kleine Elvis zijn. Weet je wat dat voor mij betekent, Bram? Ik word Gladys, de moeder van Elvis!'
'Mama!'
'Rustig maar jongen. Straks zul je je niets meer herinneren van je vorig leven. Je wordt The King.'
'Daarvoor hebben we zoveel energie nodig dat we een blikseminslag best kunnen gebruiken. In één duizendste seconde wordt jouw hele toekomst in je hersenen ingebrand.' hoorde Bram zijn vader zeggen.

Het licht doofde nu helemaal.
Een hoge zoemtoon werd hoorbaar.
Bram wilde wakker worden. Hij zou in het appartement rondkijken en lachen met deze dwaze droom.
Maar toen hij de wat zweterige hand van zijn moeder op de zijne voelde, wist hij dat dit geen droom was.
'Het is echt pijnloos, jongen.' hoorde hij Hennie zeggen. 'De energie wordt gekanaliseerd in miljoenen onderdeeltjes die ieder één of twee details uit Elvis' leven bevatten, begrijp je?'
'Jullie zijn gek! Ik haat Elvis!'

Een bliksemschicht werd drie seconden later gevolgd door een krakende donderslag.
'Je zult op je vijftiende je eerste vriendinnetje krijgen, ene Betty McMann. Je zult samen met haar naar horrorfilms gaan kijken,' hoorde hij zijn moeder nog fluisteren alsof ze hem wilde troosten.
'Mama maak me los!'
‘En je lievelingssong zal "Won't you tell me, Molly Darling" zijn, een liedje van Eddy Arnold.'
‘Kom vrouw, zo is het wel genoeg,' zei zijn vader terwijl hij haar meenam. 'Hier is het veiliger.'
Hij controleerde de aansluitingen op de band rond Brams hoofd.

Een geweldige slag. Ruiten sloegen aan diggelen. De deur werd ingetrapt. De Elvis van de Vlaamse kust stormde de kamer binnen.
'Ik wil Elvis zijn! Ik wil Elvis zijn!' schreeuwde hij.
Hij trok de riemen los die Bram aan de tafel vasthielden, rukte de band van zijn hoofd en duwde de jongen van de tafel om in zijn plaats in Elvis te transformeren.

Het laatste beeld dat Bram in de bliksemschicht die op het huis viel zag, was zijn vader die de oude Elvis probeerde tegen te houden en daardoor de band met elektroden op zijn eigen hoofd gedrukt kreeg.
Toen leek het alsof een donderslag de ganse schepping verwoestte.

5. EPILOOG: DE OUDE ELVIS.

'Kom,' zei de verpleger. 'Hier is zijn kamer. Hij heeft daarnet Love me Tender gecomponeerd, beweert hij.
Zijn moeder en Hennie schoven mee de kamer binnen.
'Frans,' zegden ze. Samen.
De man op het bed keek niet op. Hij bleef aandachtig op zijn gitaarspel geconcentreerd.
'Ik heb een idee voor twee filmhits,' zei hij tegen de muur voor hem. 'Are you lonesome tonight, en... It's now or never. Wat denken jullie van de titels?'
De muur antwoordde niet en ook de vrouwen zwegen.
Bram ging bij zijn vader op bed zitten. Hij bekeek de boeken op het nachtkastje: 'De geheime leer' van H.P. Blavatsky en Max Heindels 'De Kosmos-conceptie van de Rozenkruisers'.
'Wonderlijk,' fluisterde Bram. 'Hij leest dezelfde boeken als de vroegere Elvis.
'Hij zal alles doen wat Elvis heeft gedaan. Zo hebben we het geprogrammeerd.

Bram kreeg het koud. Wie zat er nu te wachten op een tweede identieke Elvis?
'En zijn vreselijk levenseinde?' vroeg Bram.
Dat hebben we veranderd. Eens hij in die periode komt wil hij zich bekeren en zingt hij alleen nog kerkliederen.'
'Waarom hebben jullie dat gedaan?'
Met de punt van haar zakdoekje dipte Hennie een traan weg.
'We dachten dat dan het grote geld wel zou binnenzijn, en we wilden jou een vredige oude dag bezorgen, begrijp je?'

De oude Elvis keek op.
'Willen jullie een handtekening?'
Bram knikte.
'Ik zou heel vereerd zijn meneer Elvis Presley.'
Hij gaf hem een bierkaartje en kreeg de duizend zevenhonderdste handtekening van zijn vader.
'Kom,' zei de verpleger. 'Hij heeft werk. We mogen hem niet afleiden.'
'Ik sta te popelen om de Beatles te ontmoeten,' zei de man op het bed.


20:24 Gepost door VOF De Kleine Studio Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

DE ZWAAN

Eén zwaan vond ze mooier dan alle andere zwanen.
Hij was iets statiger, en hij zwom ook trager.
Die ene zwaan keek haar voortdurend aan, dacht ze. Alsof hij haar iets wilde duidelijk maken.
Er lag een soort smekende tinteling in de zwanenogen. Een vraag om hulp.
Kon ik je maar begrijpen, dacht Adèle. Kon ik je maar begrijpen.
En alsof de zwaan haar gedachten hoorde, maakte hij zich los van de brood zoekende collega's en schoof hij heel plechtig naar de oever, tot bij Adèles voeten.
Hij keek niet eens naar het brood.
Hij richtte zijn lange hals op en keek haar met zijn linkeroog zo doordringend aan dat ze een koude rilling over haar rug voelde.
Dit is geen zwaan, dacht Adèle. Dit is een mens.

Ze ging nooit naar het theater. Ze vond de televisie al welletjes.
Maar nu reisde ze naar de hoofdstad om er een opvoering van "Het Zwanenmeer" bij te wonen.
Al zegden de critici dat het maar een middelmatige vertoning was geworden, voor Adèle zou haar leven voortaan in het teken van deze gebeurtenis staan.

Hij is een prins, dacht ze, toen ze de volgende dag tijdens de middagpauze weer naar de zwanen ging.
Hij is een prins en hij heeft mij herkend.
Ook nu kwam de grote zwaan weer naar haar toe.
'Geduld,' zei Adèle, 'geduld, ik red je wel.'

Een mevrouwtje vroeg of ze haar kon helpen.
'Helpen?? Ben ik in nood?'
'Je moet het voor mij niet verbergen hoor. Verliefd hè? Ik heb dat ook gehad. Maar dat is al een tijdje geleden!'
Verliefd? Jaja, zo zou je 't kunnen noemen,' antwoordde Adèle.
Dat is de lente, lieve juffrouw. Kijk eens naar de zwanen. Ze zoeken elkaar op, en het duurt geen maand meer of er zwemmen kleine zwaantjes achter hen aan.'

De grote zwaan hield zijn lange hals hoog gestrekt en plooide hem dan met een zachte buiging tot dicht tegen zijn donzige borst.
'Dat doen ze als ze verliefd zijn,' zei het mevrouwtje.
'’Jaja,' antwoordde Adèle. ‘Zo gaat dat.’

Aan de rand van de stad woonde er een soort waarzegger-wondergenezer.
Hij verloste de mensen van hun kwalen en hun centen.
'Verliefd op een zwaan? Dat gebeurt,' zei de man. 'Het komt meer voor. Mensen worden wel eens gek op vlinders of ze vergooien hun leven voor een postzegel.'
'Maar hier is meer aan de hand, meneer. Ik heb de indruk dat deze zwaan onder invloed van een of andere boze macht zwaan geworden is.'
De waarzegger-wondergenezer keek haar verbaasd aan.
'Bedoelt u...?'
'Ja, dat bedoel ik. Die zwaan is geen zwaan.'
'Kijk,' zei de wondergenezer, 'ik ken wel iemand die daar raad mee weet. Ik hou me meer bezig met mensen die iets minder verbeelding en iets meer geld hebben, als u mij deze woordspeling toestaat. Maar ik ken een man die zich in de leer der veranderingen verdiept heeft. Ze zeggen zelfs dat hij zijn vrouw, na een hevige ruzie, in een eekhoorntje veranderd heeft.’

De man der veranderingen zuchtte toen ze hem haar verhaal had verteld
. 'Een zwaan is van nature uit een dier om de menselijke ziel te herbergen.'
Zijn uitpuilende ogen keken haar daarbij aan alsof hij elk ogenblik in een kikker zou transformeren.
'Ik heb hier een heel oud boek. Kijk.'
Ze keek, maar ze begreep niets van de woorden die haar voorhield.
'Het is Russisch. Ik zal het voor u vertalen.'
Hij kuchte, keek haar nu met felle oogjes aan zodat ze heel even dacht dat hij in een reusachtige rat zou veranderen.
'Alles in de natuur is evenwicht. Van het ene komt het andere. Wie dus heel lang een zwaan aankijkt en met grote hevigheid verlangt een zwaan te zijn, zal in een zwaan veranderen.'

Hij sloeg het boek dicht en bleef haar zo lang aankijken dat ze zenuwachtig begon te worden.
'U ziet een man. Maar ziet u wel goed?'
Adèle dacht aan het eekhoorntje waarover de wondergenezer gesproken had.
Op hetzelfde moment zag ze een reusachtige eekhoorn voor haar zitten.
Ze gilde.

Toen ze weer bijkwam, zag ze opnieuw de man.
'Was u echt...?' vroeg ze.
De man glimlachte.
'Wat is zijn,' vroeg hij, 'en wat is echt?'

Zestien dagen oefende ze zich in intense concentratie.
Toen wist ze dat het die avond zou gebeuren.
Ze liet de bus vertrekken, wachtte tot het donker begon te worden en haastte zich naar de vijver.
En inderdaad, de grote zwaan wachtte haar op. Ze dreef naar de oever en kwam toen op het droge.

'Ik verlang naar jou,' dacht Adèle. 'Ik verlang heel erg naar jou.'
Ze concentreerde zich tot en met op de witte gestalte die op haar toekwam.
Ook de zwaan bleef haar minutenlang aankijken.
En zie, de pluimen vielen van hem af.
Uit het ovale lijf verscheen de gestalte van een schitterende jonge man .
Achter zijn rozige oren had hij nog wat dons hangen.
Net toen Adèle haar mond wilde openen om 'Oooo!' te stamelen, voelde ze dat ze niet meer kon spreken.
Haar lippen leken wel op elkaar geperst. Hard waren ze nu en vooruitgeschoven.
Haar armen die ze wilde openen om ze rond zijn prinsennek te klemmen, kon ze niet meer optillen.
Ze waren zwaar, en...
Ze voelde de wereld wegzinken.
Haar benen krompen weg onder haar lichaam en twee harde poten met zwemvliezen kwamen in de plaats.
Haar hals rekte zich tot ver boven haar lijf, en terwijl de jonge man wenend toekeek, verdween zij in het water.

‘Wacht,' riep de prins. 'Wacht!'
Maar de zwaan hoorde hem niet meer.


12:59 Gepost door VOF De Kleine Studio Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

DE VERANDERING

Ze begon te zeuren over hoofdpijn. Iedereen heeft al eens hoofdpijn.
Toen kloeg ze over een knagende pijn in haar benen. Wie voelt zoiets niet?
En de derde week sprak ze veel trager dan gewoonlijk. Vermoeidheid overkomt toch wel eens iedereen?
Soms keek ze met een wazige blik naar de kalender.
Niet naar de cijfers.
Ze keek dromerig naar een bloemrijke afbeelding van een alpenweide.
Ze knikte dan, zonder één woord te zeggen en begon dan moeizaam aan haar huishoudelijk werk.

Lisette Leenders begon het alledaagse leven te haten.
I‘Ik wil eruit!' zei ze wel eens tegen haar spiegelbeeld. 'Ik wil eruit!'
Maar de mand wasgoed, de vaat van twee dagen en het verstelwerk van de laatste drie weken ontnamen haar alle verdere moed.

De vierde week voelde ze zich doodmoe. Vitamines noch ijzerpillen konden haar helpen.
Toen de heer Lommels- Leenders die morgen opstond vond hij zijn echtgenote niet naast zich in het echtelijke bed. Ze was niet op het toilet, niet in de badkamer, noch in de kelder of in de keuken.
Hij vond haar op zolder. Daar hing ze.
O, schrik niet. Ze hing niet zoals de meeste mensen hangen die het leven voor bekeken houden.
Niet aan een touw dus. Ze hing waar de dakpannen begonnen, ingesponnen in een witte, draderige massa.
Lisette Leenders was een cocon geworden.

De heer Lommels-Leenders maakte zich niet zo vlug zorgen, maar nu hij bemerkte dat zijn echtgenote zich in een zogenaamde tussenfase bevond, begon hij zich toch enkele vragen te stellen.

Ten eerste doet een cocon helemaal niets, dus zeker niet het huishouden.
Ten tweede is dit verschijnsel bij rupsen heel gewoon maar komt het bij mensen zelden voor, tenzij in kortverhalen.
Ten derde begon de heer Lommels - Leenders zich af te vragen wat er uit deze draderige massa te voorschijn zou komen.

Het toeval wilde nu dat er enkele huizen verder een vlinderdeskundige woonde.
De heer Vloesmans had zijn hele leven met vangnetten en opprikspelden doorgebracht.
Van zijn hand kenden vele het populaire werkje: vlinders uit alle landen, waarin de auteur in bevattelijke taal over dit kleurrijk verschijnsel uitweidde.

'Ik zou maar blij zijn als ik u was,' zei de vlinderdeskundige toen hij het levensgrote cocon aandachtig had bestudeerd.
'Als ik mij niet vergis, en dat doe ik vrijwel nooit, zal uw vrouw te voorschijn komen als een reusachtige koninginne-page.
Vermits ik de ontdekker ben van deze nog vrijwel onbestaande reuzevlinder zal ik haar dan ook een nieuwe naam geven. Wat denkt u van "Reginae serva Vloemansiensis"?'
'Tja,' zei de heer Lommels-Leenders. ‘Het klinkt wel mooi, maar ik zit ermee.'
'Maar meneer Lommels,' glimlachte de vlinderdeskundige Vloesmans, 'nu tilt u toch wat te zwaar aan de toekomst van uw eh... laten we maar zeggen Koninginne-page. Als ik mij niet vergis, en dat doe ik vrijwel nooit, was uw vrouw in haar menselijke verschijningsvorm niet dadelijk wat wij een "schoonheid" zouden noemen, nietwaar? Weldra heeft u een prachtige vlinder in huis. Een schoonheid die zelfs een dichter naar de keel zou grijpen.'
'Jaja,' zei de heer Lommers-Leenders, ‘nog afgezien van voedingsproblemen en huisvesting. Wat moet ik met een vlinder als ik een vrouw nodig heb?'
'Doe toch niet zo ordinair!' riep de vlinderdeskundige Vloesmans boos. 'Iedereen heeft een vrouw nodig. Maar u heeft een vlinder. Ik wou dat ik in uw plaats was.'
'Maar vlinders trekken zich weinig van het huishouden aan.'
'Maar meneer Lommels. Weet u dat de hele wereld dit pand zal komen bezoeken? En wat de huisvesting en het voedsel betreft, daar zal ik, tegen een kleine vergoeding wel te verstaan, u met raad en daad bijstaan.'
'U denkt dus dat er met mijn vrouw, ik bedoel met mijn vlinder nog iets te verdienen is?'
'Te verdienen? Een fortuin zal uw deel zijn. We kunnen een permanente tentoonstelling van uw Koninginne-page organiseren, een reeks televisieuitzendingen aan haar weiden. Praatprogramma's en wetenschappelijke forums zullen haar als onderwerp nemen. Begrijpt u?'

Hij maakte het bekende gebaar met zijn duim tegen zijn wijsvinger .
'Als u het zo bekijkt,' zei de heer Lommels-Leenders.
'En in het ergste geval, als uw Koninginne-page de komende winter niet zou overleven... Schrik niet, dat gebeurt wel meer bij vlinderachtigen, dan zal haar lichaam een bron van studie voor de wetenschap zijn, en ook dat moet niet helemaal gratis gebeuren als u nog altijd begrijpt wat ik bedoel?'
'Wanneer komt ze eruit? Ik bedoel: wanneer zal ze een vlinder geworden zijn?'
De heer Vloesmans keek naar de lucht en zei toen heel ernstig knikkend:
'Als het weer zo zacht blijft, zullen we haar binnen de week in haar nieuwe vorm mogen aanschouwen, denk ik.'

De zesde dag begon de cocon kleine barstjes te vertonen.
Ook hing ze niet meer roerloos, maar in de zijige huls bewoog voortdurend een nog onbekend wezen. 'Mijne heren, en dame, (er was één dame bij de schare uitgelezen vlinderdeskundigen.) ik denk dat ons geduld niet lang meer op de proef zal worden gesteld. Wij hebben deze "blijde gebeurtenis", als de heer Lommels-Leenders mij deze uitdrukking toestaat- (de heer Lommels-Leenders knikte goedkeurend.) we hebben deze blijde gebeurtenis voorlopig geheim gehouden. Alleen u allen en niemand anders is van deze uitzonderlijke mutatie op de hoogte. Eens we de vlinder in al haar glorie zullen bewonderd hebben, brengen we de wereldpers op de hoogte.'

Deze korte verklaring werd vervolgens in zeven talen vertaald waarna iedereen naar zijn duur hotel terugkeerde om zich op het kritieke moment naar de zolderkamer van de heer Lommers-Leenders te begeven.

De achtste dag werden de innerlijke bewegingen heviger en heviger.
De morgen van de negende dag zou het dan eindelijk gebeuren.

'Volkomen stilte, waarde collegae.' vroeg de heer Vloesmans.
Eens dit parool in zeven talen was duidelijk gemaakt, werd het inderdaad doodstil op de zolderkamer.
Slechts het scheuren van het cocon was hoorbaar.

In het wazige morgenlicht zagen ze een lange, bevende poot naar buiten komen.
Toen volgden er nog zeven.
Het duurde even voor de heer Leenders-Lommels besefte dat de acht poten bij het harige lijf van een vrouwgrote reuzenspin hoorden. Een zwarte weduwe.

Een naam die ze waardig was eens ze het gezelschap had ingesponnen en uitgezogen.


10:27 Gepost door VOF De Kleine Studio Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

15-02-06

DE FABEL VAN HET GROTE WITTE BUIKDIER

Wie had het grote-witte-buik-beest het eerst gezien?
Wie had het voor de eerste keer in een wetenschappelijk tijdschrift beschreven, nog voor er allerlei roddelverhalen in damesbladen over het dier verschenen waren?
En wie had het-grote-witte-buik-beest beladen met alle mogelijke gevaren die de wereld en haar bewoners kunnen treffen?
En welke politieke partij, of welke godsdienst had het dier verheven tot het symbool van de verworpen en onderdrukte broeder of zuster?

Niemand zal ooit die vraag kunnen beantwoorden. En niemand stelde die vraag. Het grote-witte-buik-beest bestond. Daar was iedereen rotsvast van overtuigd.
Alleen zegden de enen dat het dier een ondier was, een bedreiging voor het goede op aarde, de duivel zelf dus.
Beroemde dier-bestudeerders hadden het zelfs horen brullen van pijn en woede als ze nog maar de naam van de Allerhoogste uitspraken.

Voor anderen was het dier een voorbeeld van politiek geweld, van het extreem linkse of het extreem rechtse, en zelfs het extreem midden durfde wel eens met de vlag van het dier zwaaien.

Het grote-witte-buik-beest hield de hele wereld in zijn grote witte-buik-beestenklauw.
Mensen vielen voor het dier op de knieën of trokken in zijn naam ten strijde. Ze stichtten leefgemeenschappen om de leer en de werken van het witte-buik-beest te bestuderen en te verkondigen.
Alles wat de mensen niet op hun eigen smalle schoudertjes konden laden, legden ze met geloof en vertrouwen op de mythische schoften van het dier.

Wie in bepaalde landen 'beest' zei in plaats van 'dier' kon rekenen op een strenge gevangenisstraf terwijl in andere landen het geloof in het dier vervolgd werd en het nog maar lispelen van zijn naam volstond om een kopje kleiner te worden gemaakt.

Vermeende aanhangers verloren hun betrekking en konden zich alleen nog aansluiten bij de duizenden splinterbewegingen die ieder op hun manier het dier bestrijden wilden.
In sommige streken vermeden de mensen met opzet elk zonnestraaltje om helemaal blank en wit te blijven zoals hun heilig dier terwijl in andere gewesten de mensen zich tot op de bilnaad lieten bruinen als teken van opperste vrijheid, als lijfelijk symbool van hun misprijzen voor de regels en de wetten van het grote-witte-buik-beest.

Maar hoe zag het grote-witte-buik-beest er eigenlijk uit? Had het wel een buik, en was die dan wit? Was het wel een beest of eerder een geest?

In oude verhalen kon men de meest verschillende gedaanteverwisselingen lezen die het beest in de loop der tijden zou hebben aangenomen.
Het werd gezien als een ietwat bleke jonge vrouw in wapperende kleren, als een jonge man met schitterende gouden ogen, als zwarte hengst, als eenhoorn, als waanzinnige kluizenaar, als liedjeszanger, als profeet, als vuur, ja sommigen beweerden dat het beest zelfs een tijdje als een geliefd televisiepresentator onder hen verbleven had.

De heilige geschriften verhaalden dat heel, heel lang geleden, toen de dieren nog spraken en de mensen zwegen, het grote-witte-buik-beest werkelijk een dier was geweest.
Het zou een witte, zijige buik hebben gehad, kwetsbaar als een pasgeboren kind, maar daardoor juist zo overweldigend.

In diezelfde boeken kon men lezen dat het dier een keer of vijf voor de mensen was gestorven omdat zoveel blankheid het kwaad niet kon verdragen.
Anderen noemden het dier een symbool en verwezen de heldhaftige sterfverhalen naar het rijk der fabeltjes.

Om zich goed van de rest te onderscheiden kozen zij een dier met een anders gekleurde buik. Hun symbool werd het grote-roze-buik-beest. Zoals men kon verwachten waren er weldra nog andere groepen mensen, ieder met HUN eigen dier.
Kenmerk voor al deze dieren was dat zij het enige echte dier waren terwijl de rest voor valseriken en hersenspinsels werden uitgescholden.
Hun dier, en hun dier alleen kon voor het heil der mensen zorgen.

In naam van het dier werd er recht gesproken, verdwenen mensen voor altijd naar onbekende oorden, werden kinderen opgevoed en predikten de machthebbers rust en orde telkens hun onderdanen uit een diepe slaap dreigden te ontwaken.

'Denk aan vroeger,' zegden ze. 'Toen hadden wij nog respect voor ons dier, toen was er discipline, wisten de mensen waar hun plaats was.'

Op een dag werd er in een groot gezin een jongetje geboren. Het werd streng en degelijk opgevoed. Zijn ouders leerden hem van kindsbeen af het grote-witte-buikdier te vereren.
Ze vertelden hem de verhalen en alles wat de jongen over het heilige dier moest weten.
Maar. Ja, inderdaad. Maar.
De jongen wilde helemaal niets van het witte-buik-dier weten! Hij wilde zien wat er elders in de wereld gebeurde. Hij wilde de andere dieren leren kennen, en verre horizonten bereiken.
Hij nam een bundeltje ondergoed en een warme trui voor frisse avonden. Zijn stapschoenen trok hij aan en hij vertrok.

Eerst sloot hij zich aan bij degenen die het witte-buik-beest verketterden, die het bestreden als de onderdrukker van hun vrijheid. Maar lang bleef hij niet bij hen, want hij bemerkte dat zij nog meer wetten en straffen hadden dan degenen die ze te vuur en te zwaard bestreden.

Dus nam de jongen zijn intussen tot staatseigendom verklaarde bundeltje ondergoed, zijn warme trui en zijn stapschoenen en hij trok verder.

En zo zag hij de wereld: de landen waar het blauwe-buik-dier als ideaal gold, een dier waaraan geld en goed moest geofferd worden en waarin rijkdom het hoogste ideaal was.
Het land van het dier-met-de-vleeskleurige buik waar wellust en wilde spelletjes nodig waren om het dier te eren.
Om maar te zwijgen van het dier-met-het-voetbalshirt, een land dat om zijn brutale massazangen bekend stond.

Toen zijn stapschoenen versleten waren dacht de jongen:
'De mensen moeten hun lasten en lusten op hun eigen schouders laden!' En dat verkondigde hij overal waar hij kwam.
Hij maakte wel indruk.
Zijn gescheurde trui, zijn stuk gelopen schoenen werden een symbool voor zijn boodschap.
Een groepje jongelui met gescheurde truien en stuk gelopen schoenen sloot zich bij hem aan.
Zijn aanhang groeide. Het duurde niet lang of men sprak zelfs van een nieuwe beweging.

Door enkelen werd de jongen tot een wonderdoener uitgeroepen. Ook al beweerde hij dat hij een gewoon mens was, dat hij juist tegen de wonderen van de andere dieren wilde reageren, dat het wondere in iedere mens zelf lag, en andere goed bedoelde nederigheid, het mocht niet baten!

Nog maar één dag na zijn dood werd hij teruggezien als een wollen-buiken-dier (als herinnering aan zijn gescheurde trui!) en aldus vereerd.
Wie niet in het grote-wollen-buikendier geloofde, kon niet alleen rekenen op de boze blikken van zijn medebroeders en zusters, maar wist dat hij geen plaats zou krijgen in de scholen of instellingen die door de machtig geworden aanhangers van het wollen-buik-dier waren opgericht.
Kinderen die geen gescheurde truien droegen werden naar een tuchtschool gestuurd, want iedereen moest gelukkig worden, het koste wat het kost.


17:59 Gepost door VOF De Kleine Studio Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

EEN ONVOORZIENE GEBEURTENIS

Toen hij promoveerde tot doctor in de wiskunde was dat niet dadelijk omdat zijn abstraherend kunnen hoog boven alle gevoel verheven was.
Hij beleefde de wiskunde immers niet als een reeks klare verbanden, logische oorzaken en duidelijke gevolgen.
Voor hem was het de meest zuivere weg om te vinden wat hij zijn hele leven hartstochtelijk gezocht had: de dood.

De dood.
Ze had helemaal niets afschrikwekkend.
Niets van de zeis, de knoken en de verrotting.
Ze was een betrachting zoals andere mensen een rekord willen breken.
Ze was een doel zoals kunstenaars zich ooit het ultieme kunstwerk voorstellen: helemaal af, zonder smet, ontdaan van twijfel. Een hoge vorm van genieten dus.
Een beetje oneerbiedig zou men kunnen zeggen dat voor hem de dood een hobby was, een dagelijks knutselen aan iets wat je niet hebt kunnen bereiken omdat je zo nodig voor vrouw, huis en kinderen moest zorgen.

Ik vertel je dat maar om duidelijk te maken dat zijn geest niet besmet was met de drang naar zelfvernieting, levenswalg of ver doorgedreven pessimisme, oorzaken die andere mensen in de armen van de dood kunnen drijven.
Zijn streven naar het einde was een dagelijkse honger, in de hand gehouden door de klare wetten van de logika, duidelijk gemaakt door zijn wil beetje voor beetje te sterven zoals hij dat had voorzien.
Hij was een levenskunstenaar naar de wat vreemde betekenis van het woord.

Omdat hij zijn nazaten niet wilde opzadelen met de gevolgen van zijn persoonlijke emoties, was hij nooit gehuwd en had hij zich op de vlakte gehouden in zijn omgang met mensen.
Hij doceerde zijn wiskundecolleges, zwom elke woensdagavond een half uurtje in het stedelijk zwembad, luisterde veel naar de radio en las alleen maar de waterstanden en weersvoorspellingen in de krant.
Zijn eerste notities maakte hij al in zijn vroege jeugd.
Toen hij benoemd werd aan een kleine universtiteit vond hij meer tijd om zich geheel aan zijn levenseinde te wijden.
Het zou dan ook een prachtwerk zijn, een opperste poging om de verwachting met de werkelijke afloop te laten overeenkomen.

Voor de buitenwereld moest alles heel gewoon lijken. Bijna een ongeval.
Geen spektakel dus, geen aandacht-trekkerij. Dat liet hij over aan de amateurs, de stuntels, de ontgoochelden.
Het ging om zijn eigen genot, het besef dat zijn berekeningen klopten tot vier cijfers na de komma.

In de late lente van dat jaar begon hij met het defintief controleren van al zijn gegevens. Eigenlijk had hij er niet tot zijn veerstigste mee willen wachten, maar er waren heel wat nevendisciplines geweest die hij zich had moeten eigen maken om zijn merkwaardig einde te laten lukken.

Hij maakte een uitvoerige karakterstudie van de keukenhulp, een brommerige maar overigens goedaardige vrouw die ook eenmaal per week zijn flat oprommelde.
Hij wilde namelijk nauwkeurig berekenen wanneer zij het gas zou laten openstaan, uit haast, woede of uit vergetelheid.
Dat moest volgens zijn opzoekingen gebeuren als de vrouw in haar moeilijke jaren zou komen, in dit seizoen, de herfst, twee weken na de volle maan, na een rumoerige dag waarin hij haar allerlei dingen zou verwijten.

Hij maakte een reeks kansrekeningen, bestudeerde een duizendtal statistieken zodat hij haarscherp het moment kon vaststellen.
Stond de gaskraan eeenmaal open dan zou hij ervoor zorgen dat zijn hulp onmiddellijk naar huis ging, want nogmaals: hij wilde niemand schaden bij zijn opzet.

Hij berekende verder de tijd die nodig zou zijn om in de goed geïsoleerde kamer zoveel gas te laten binnenstromen om nog net de hulpdiensten te kunnen opbellen.
Ook wilde hij zo lang mogelijk bij het bewustzijn blijven om het verloop van zijn fabelachtige plan aan de lijve te ondervinden.
De afloop interesseerde hem minder. Eens hij de hulpdiensten had gebeld wilde hij zeker zijn dat hij bij zijn aankomst, en niet eerder maar ook niet later, in het ziekenhuis zou overlijden.

Hij bestudeerde daarvoor het traject van de ambulance, hield rekening met veertien stoplichten met variabele tijden en zestien kruispunten met voorrang van rechts.
Daarbij kwam, en dat verhoogde zijn genot, dat op het tijdstip dat hij had vooropgesteld een schip met Rijnzand voor zes minuten oponthoud aan de brug zou zorgen.
Dat schip was er elke donderdag, stipt op tijd. Mocht het door een of andere reden toch afwezig blijven dan had hij een reserve ingesteld, want door deze tijdswinst zou de ambulance moeten wachten aan spoorwegovergang nummer zestien waar de intercitty van 17.42 voorbijkwam.

Alle vertragings- of versnellingsmechanismen had hij ingebouwd, tot zelfs het humeur van de agent met dienst op de Grote Markt die naarmate het vooruitzicht op een prettige of saaie nacht het verkeer met zwier of stugheid behandelde.

Hij had er zes maanden over gedaan om de samenstelling van het stadsgas te bestuderen, samenstelling die hij in verband bracht met zijn veranderende gezondheidstoestand.

Met grote liefde had hij de wisselende snelheden van de ambulances uitgecijferd in relatie met de karakters van hun bestuurders, en die combinatie in verband gebracht met allerlei toevalsfactoren zoals daar zijn: een onvoorzien oponthoud of een niercrisis van de ambulancier.

Hij liet zijn studenten tot vier maal toe alle gegevens narekenen zonder hen op de hoogte te brengen van het doel van zijn levenswerk. Daarna bepaalde hij de start van zijn plan.

Het gebeurde allemaal zoals hij het had voorzien.
Na een fikse ruzie over het huishoudgeld en haar goede naam liet ze na het mislukte roerei het gas open en verdween ze boos naar huis.
De hulpdienst kwam één minuut te laat, maar dat werd goed gemaakt door de kundigheid van de ambulancier zodat hij volgens schema net op tijd in de wagen lag.

Het schip met Rijnzand was er niet omdat er een staking bij de binnenschippers uitgebroken was, maar de intercitty zorgde voor de zes minuten oponthoud.
De agent met dienst had een leuk vriendinnetje ontmoet zodat ze ook hier weer even op het tijdschema vooruit liepen, maar de wegenwerken in de Duifstraat compenseerden deze winst ruim.
Een klein verkeersongevalletje bij het elfde stoplicht werd goed gemaakt door een bus gepensioneerden die de hele weg vrijhield zodat het schema weer tot op de seconde klopte.

Deze doctor in de wiskunde zou dan ook geheel volgens plan zachtjes het tijdelijke met het eeuwige verwisseld hebben bij zijn aankomst in het hospitaal.
Maar juist die donderdag was er een aardige specialiste van dienst die net gepromoveerd was met een proefschrift: nieuwe reanimatie-mogelijkheden bij vergiftigingsverschijnselen.

Zij redde de man en hielp hem later over zijn teleurstelling heen door met hem te trouwen en kippen, konijnen en kinderen te houden.
Verder las ze hem in zijn droefgeestige dagen voor uit de sprookjes van Andersen.
En telkens als ze over de dood las -en dat gebeurde nog al eens in een sprookje- schudde de man zijn hoofd en maakte hij het wiskundehuiswerk van zijn kinderen zodat ze nog konden buitenspelen voor het helemaal donker was.


11:07 Gepost door VOF De Kleine Studio Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

14-02-06

DE HOROSCOOP

Wat weet ik van horoscopen?' had ik verbaasd gevraagd.
Juist daarom. Je hebt fantasie. We zijn een krant, geen wetenschappelijk tijdschrift! Een horoscoop is als een stripverhaal: niemand gelooft erin, maar iedereen leest het. Wel, wil je?'
'Iedere dag?'
Je begint met eentje per dag. Je hebt toch een computer? Voor vier uur 's middags hebben we graag je tekst. En eens je 't gewoon bent, maak je ze in één keer voor een hele maand.'
Maar ik geloof niet in horoscopen!'
'Ik vraag niet om erin te geloven, wel om ze te schrijven. Je hebt je eigen toekomst in de hand!'
'Mijn eigen toekomst?'
Wat is jouw sterrenbeeld?'
'Een Waterman.'
'Voorspel vooral een zonnige toekomst voor de Waterman. Doe je best, ouwe reus.'

'Waterman. U ontvangt vandaag een brief die voor enige verrassing zal zorgen.' las ik m'n eigen tekst de volgende morgen in de krant.

'Waar is die leuke brief! Adresverandering, uitnodiging voor een concert, reclame... En een brief! Achterstallige belasting: betaal voor het einde van deze maand tweeduizend tweeëntwintig euro. Hoogachtend, de fiscus.'

Meteen na de morgenkoffie zette ik me achter mijn computer. Het kon niet alle dagen narigheid zijn. Mijn horoscoop voor morgen.
Waterman. Een gelukkige dag. U ontmoet iemand die al een tijdje uit uw leven verdwenen is. Een prettige verrassing met een Kreeft.'

Ik herlas mijn lot en begon daarna de meest duistere dingen voor de Steenbok te voorspellen.
Bij de Kreeft kon ik natuurlijk niet nalaten te schrijven: 'Kreeft: een heerlijke ontmoeting met een Waterman.'
En zo stond het er ook de volgende dag, zwart op wit. Zijzelf bracht de krant mee binnen.
'Mij had je niet verwacht hè schatje,' zei ze.

Ze had nog altijd ogen met gekleurde puntjes rond de iris, en als ze sprak beefde haar stemmetje alsof ze elk ogenblik in wenen kon uitbarsten.
:'Neen. Jou had ik helemaal niet verwacht,' antwoordde ik.

We kusten elkaar. We lieten de dag voor wat hij was, en we merkten dat het alweer donker werd toen we honger kregen.

'Ik moet mijn horoscopen nog mailen,' zei ik.
Ze trok het laken hoog boven haar hoofd.
'Bedenk een prachtige toekomst voor de Kreeft,' hoorde ik haar stem vanonder de witte tent.
Twee keer kon natuurlijk nog toeval zijn, maar laten we de proef op de som nemen. Het lot is er om getart te worden.`

'Waterman. Let op in het verkeer. Een onvoorzichtigheid kan u heel wat geld kosten.’

Zou ik dat laten afdrukken? Natuurlijk. Ik zou de hele dag bij mijn kreeftje binnen blijven. En we moesten al heel erg te keer gaan om een vliegtuig of een ufo uit de lucht te halen.

‘Ik dacht broodjes te gaan halen,' hoorde ik haar de volgende morgen, nog maar net wakker. 'Met jouw auto. Ik wilde je verrassen.'
Nu weende ze echt. Ik was op slag klaar wakker.
Vroeger was er voorrang van rechts als je op het Meiser-plein komt, en daarom dacht ik...'
'Mijn auto?'
Ik maakte een een langzaam kruisteken in de lucht. Ze knikte.

Ze hinkte een beetje toen ze naar buiten liep.
Ik rende naar mijn computer.
'Waterman. U wint vandaag een groot bedrag dat u uitstekend van pas komt!' tikte ik.
Ik verzon nog iets heel naars voor de Kreeft, liep langs de krantenwinkel en kocht één lot van de Nationale Loterij.
'Eén miljoen euro meneer,' zei de winkelier.

De volgende dag legde ik het biljet opnieuw voor zijn neus en toen was ik het die zei: Eén miljoen, inderdaad.'
We keken elk cijfertje drie keer na. Het getal klopte als een bus.

'Ik wist niet dat ik de toekomst kon voorspellen,' zuchtte de winkelier.
Toen ik naar zijn sterrenbeeld informeerde en hij zei dat hij een Waterman was, gaf ik hem een briefje van duizend euro.
'Lees je horoscoop,' zei ik. 'Een bedrag dat u uitstekend van pas komt!'

'Het is toch niet omdat je toevallig een miljoen hebt gewonnen dat je geen horoscopen meer schrijft. Ik vond ze heel leuk! Mijn vrouw is een Kreeft moet je weten, en wat je voor de Kreeft geschreven hebt is helemaal uitgekomen. De hele voormiddag is ze bezig geweest om die bus rode lak uit d'r haar en kleren te wassen! Hoe kom je erbij?'
'Nog één week doe ik het!'

En heel voorzichtig begon ik mijn nabije toekomst te voorspellen.
'Eerste dag. Waterman, u heeft een bijzonder rustige dag. Tijd om na te denken en een investering te doen.
Tweede dag: Waterman, geniet met volle teugen van het leven.
Derde dag: Waterman, vandaag zult u tevreden zijn over een goede daad.
Vierde en vijfde dag: Waterman, alles is rustig.
En voor de zesde en laatste dag: Waterman, U zult lang en gelukkig leven.'

Ik mailde mijn kopij naar de hoofdredacteur, kocht me daarna een aantal flessen champagne van een befaamd merk, en genoot met volle teugen zoals ik dat voorspeld had nadat ik mijn geld had toevertrouwd aan een bankinstelling met filialen in Japan en Koeweit.

De derde dag schonk ik honderdduizend euro aan een goed werk voor verlaten vrouwen.
De vierde en de vijfde dag bleef alles rustig en vanaf dat moment...

Hier breekt het verhaal af.
Ik vond de horoscoopschrijver nadat zijn hoofdredacteur me had opgebeld.
'Dokter, u moet onmiddellijk naar dit adres. Als het al niet te laat is!'
Ik vroeg wat er gaande was.
'Een zetfout, dokter. Een ernstige zetfout in de horoscoop! Bij de Waterman.'
'Ik ben dokter. Wat moet ik met een zetfout?'

Ik vond de auteur dood achter zijn krant.
'Waterman,' las ik, 'Waterman, u zult niet lang leven, gelukkig.'

Wie verzint dergelijke onzin? Ze jagen de mensen de stuipen op het lijf!’


12:22 Gepost door VOF De Kleine Studio Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

13-02-06

RODE ANJERS, een Valentijnverhaal

Zij heette Clementina.
Haar naam alleen al deed me denken aan Victoriaanse interieurs en koningshuizen.
Clementina.

We kenden elkaar alleen vanuit de correspondentieclub 'Ieders vriend'.
Eerst schreven we beleefde, onbenullige briefjes: over onze hobby's, onze schoolopleiding, onze vage gedachten over de net zo vage toekomst.
Dan werd de toon van onze brieven ietsje intiemer: over onze familieleden, onze kleine gelukjes en grote teleurstellingen.
Na zes maanden tenslotte schreven we warme, bijna hunkerende epistels:
'Als ik je brieven lees, liefste, dan zie ik je voor mij. Je maakt iets los in mij. Warmte. Warmte en tranen.'

Foto's hadden we nog niet uitgewisseld.
We wilden het droombeeld dat door onze correspondentie was ontstaan niet in één klap vernietigen.
Na acht maanden besloten we elkaar eindelijk in levende lijve te ontmoeten.

Nu is de tijd gekomen om het geschreven woord te verlaten, liefste, en om via het gesprek en onze blikken te zeggen wat onze pennen niet kunnen uitdrukken,' schreef ik haar.

Dat klonk heel mooi, en het was ook niet van mij, maar ontleend uit de liefdesbrieven van een niet zo gekend Russisch auteur uit de vorige eeuw.
We maakten een afspraak zoals we dachten dat er afspraakjes moesten gemaakt worden.
Met een bloem.
Erger nog: met een anjer. En het allerergste: met een rode anjer.

Zij zou aankomen met de trein om elf uur vierenveertig, en ik zou haar op het perron opwachten, een rode anjer in de hand.

Voor ik het besefte was de bewuste dag aangebroken.
Het liefst had ik haar getelefoneerd of getelegrafeerd:
'Plotse zakenreis maakt afspraak onmogelijk. Ik hou van jou.'
Maar hoe zou er zo'n zakenreis moeten uitzien voor een jonge klerk?
Een zieke tante, een overleden nicht, het waren te bekende bewoordingen voor de alledaagse lafheid.

Dit maar om te zeggen dat ik bang was.
Gelukkig had ik een ondernemende vriend. Een durver. Hij wist van Clementina.
Hij had me altijd aangemoedigd, en toen ik hem over mijn angsten vertelde, wuifde hij mijn bezwaren weg:
‘Nu moet je handelen! In de diepte springen, ook al heb je nog maar twee zwemlessen gehad. Daarna wil je 't water niet meer uit, let op mijn woorden!'

[Om zeker te zijn dat ik niet op de vlucht zou slaan, nodigde ik mijn vriend uit mij die dag naar het station te vergezellen.
Eens Clementina dan was aangekomen zou hij knipogend kunnen verdwijnen, de duim omhoog.

Die koude novemberdag stonden we zeker een kwartier te vroeg op het perron.
De goede raad waarmee vrienden elkaars angsten kunnen uitdoven was verstrekt.
De trein rolde net op tijd binnen. Geen halve minuut vertraging. De rode anjer trilde in mijn hand.
’Ik voel me niet lekker. Ik denk dat ik even moet...,' zei ik lijkbleek.
Hij hield me staande.
'In oorlogstijd staat op vaandelvlucht de dood met de kogel. Steek die bloem wat hoger!'
Ik probeerde een glimlach te produceren en concentreerde me op de uitstappende reizigers.

‘Neen,' dacht ik, 'neen, DAT kon ze niet zijn!'
Een fors gebouwde jonge vrouw keek zoekend rond.
Fors gebouwd, zeg ik, maar eigenlijk bedoel ik: tonrond. Je kon nauwelijks zien waar haar hoofd begon en haar romp eindigde, en pas toen ze nog een stap voorwaarts zette, bemerkte ik dat Corintische zuilen inderdaad konden bewegen.

Ze keek zoals in Russische filmen dames over de velden kijken wanneer de oogst onder het zingen van zesstemmige liederen is binnengehaald en de lange winter voor de deur staat. Zeer tevreden, maar met een blik die alleen voor een stoppelveld kon bedoeld zijn.

De bruine, ronde pukkel, naast haar forse neus draaide onze kant uit.
Vlug bedekte ik de rode anjer met mijn linkerhand.
De ‘sterke’ vrouw bleef nu ter plekke rondspeuren.
'Mijn god, zij is het!'
'Tja,' antwoordde mijn vriend, 'een goed karakter is natuurlijk meer waard dan een slanke lijn.'

Ik duwde de anjer in zijn hand toen de juffrouw met een forse pas, evenredig aan haar verschijning, onze kant uitkwam.
'Praat jij met haar,' zei ik. 'Zeg haar dat ik pas uit het ziekenhuis kom en dat ik net heb vernomen dat ik nog maar vier maanden te leven heb.'

Ik vluchtte naar de uitgang.
Achter de draaideuren voelde ik me veilig. Daar kon ik hen beiden bekijken zonder zelf gezien te worden.

De forse dame stond nu bij mijn vriend. Ze keek naar de anjer die hij zenuwachtig tussen zijn vingers heen en weer draaide.
Ze praatten even met elkaar. Mijn vriend schudde het hoofd, wees naar een ander perron en dan rolde ze die richting uit.
Op dat ogenblik kwam er een prachtmeisje helemaal als laatste de trein uitgestapt.
Ze zag de anjer. Ze liep in vertraagde pas naar mijn vriend.
Een meisje zoals je dat alleen in filmen kunt zien.
Ze leek erg jong. Ze lachte naar mijn vriend. Ze wees naar de bloem. Ze gaven elkaar een hand. Mijn god, ze kusten elkaar.
'Clementina,' zei ik. 'Clementina!'

Nog voor ik terug in de aankomsthal stond, waren zij al buiten.
Toen ik daar verscheen, reed hun taxi de drukke hoofdstraat in.

Eerst een handje, dan een voorzichtig kusje, en daarna lekker samen knus gaan dineren. Zo moet je beginnen,' had hij gezegd.

'De forse dame!' zei mijn vriend op zijn huwelijksreceptie.
'Weet je nog die dame van gewapend beton die naar ons toekwam? Ze wilde de trein naar Hasselt nemen. En die andere dame...'
Hij tikte de bruid op haar schouder.
‘Kijk, Clementina, dat is mijn vriend Bram. Aardige kerel, maar wel een beetje schuchter.'
'Dag Bram,' zei Clementina met een stem waarin zilveren belletjes klonken.
'Wat aardig dat hij jouw naam als schuilnaam mocht gebruiken in zijn eerste brieven.'

Ze keek me heel liefelijk aan.
'Ik vind dat je heel mooie ogen hebt, Bram,' zei ze. 'Ik had best ook met jou meegewild.'
'Dank je, Clementina,' zei ik zacht. 'Dank je. Hier.'
En ik begroef haar onder de rode anjers.


19:34 Gepost door VOF De Kleine Studio Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

DE OGEN

Er was dus niets van waar.

Je zag geen levensloop in een versneld tempo aan je voorbijtrekken. Geen groot licht. Geen zalig, bevrijdend gevoel.
Je zag gewoon de wereld op zijn kop draaien, de achtergevel van de sigarettenfabriek.
Hij had zelfs nog de tijd om te bedenken dat de wagen niet zo wegvast was als ze in de folder lieten geloven.
De rechterkant plooide in elkaar. Glas viel als harde korrels over zijn handen. Het zou nu donker worden. Maar ook dat gebeurde niet.
Hij voelde het bloed langs zijn wang naar zijn borst druppelen. Tot ver achter zijn hersensen hoorde hij de echo van de klap.
Zijn handen lieten eindelijk het stuurwiel los. Nu val ik in het donker, dacht hij. Nu.
De sirene kwam dichterbij. Hij bleef alles zien wat er gebeurde.
Zijn hoofd leek heel ver van zijn lichaam te liggen.
Zijn voeten hoorden niet meer bij zijn lichaam. En waar zijn armen waren, wist hij niet.
Hij miste elk lichaamsdeel.
Alleen zijn ogen. Die keken.
Ze zagen mensen naar hem komen, ze zagen gezichten die vol afgrijzen op hem neerkeken.
De autoweg en daarachter de sigarettenfabriek.

Zijn ogen overleefden het ongeval.
Er zijn dingen waar je niet dadelijk een verklaring voor vindt,' hadden de artsen gezegd toen ze haar het glazen schrijn gaven.
Proeven wezen uit dat er geen enkele hersenactiviteit meer was. Maar de ogen bleven op prikkels van de omgeving reageren.

Omdat de rest van het lichaam niet te conserveren bleek, besloten de dokters de ogen uit het lichaam te verwijderen.
Het leek wel of de ogen de chirurg dankbaar aanstaarden.
Feit was dat ze 's avonds dichtgingen en 's morgen rond zeven uur -het uur van zijn ontwaken, toen hij er nog helemaal was- zich openden en rondkeken.

'Kijk me niet zo verwijtend aan!' zei ze, toen ze het schrijn op de schoorsteenmantel neerzette.
De ogen knipperden heel snel, zoals hij dat vroeger deed in een goede bui.
Ze betrapte er zich op dat ze met de ogen sprak, net alsof het auto-ongeval nooit had plaats gevonden.
De ogen luisterden.
Ze zegden meer dan wat zijn mond ooit had kunnen uitkramen.
Ze vond het helemaal niet griezelig de ogen mee op reis te nemen als ze voor een weekend naar zee of naar de Ardennen trok.
'Kijk maar eens goed rond,' zei ze dan terwijl ze de ogen op de vensterbank van de hotelkamer met uitzicht op zee zette.
De ogen genoten zichtbaar. Ze keken ook mee televisie, en net zoals vroeger vielen ze dicht bij een praatprogramma of een politiek debat.
's Avonds stonden de ogen op haar nachtkastje.
Ze keken haar met een zekere tederheid aan.
Ze volgden haar tot ze het licht uitknipte.
Het leven met de ogen was best aangenaam. Ze zegden geen woord, namen weinig plaats in en brachten een warme aanwezigheid in haar leven.

Op een avond ontmoette ze een nieuwe vriend. Ze nodigde hem thuis uit.
De ogen had ze in de voorkamer gezet.
's Avonds keken de ogen haar op het nachtkastje boos aan.
'Je moet niet bezorgd zijn,' zegde ze. 'Ik kijk wel uit.'
Dat was klare taal die de ogen heel goed begrepen.
De boosheid had plaats gemaakt voor een berouwvolle blik.
Ze liet de vriend voor wat hij was en keek voortaan weer elke avond televisie, samen met de ogen.

Toen ze nieuwe kleren ging kopen, liet ze de ogen thuis.
Ze prikte de sportpagina van de krant aan de muur, zette de ogen in de juiste richting en haastte zich naar de stad.
Bij haar thuiskomst waren de ogen er niet meer.
Ook het glazen schrijntje was weg.
Niets wees op een inbraak. Alles lag keurig op zijn plaats.
Het vervelende was dat ze met niemand kon bellen.
Alleen de dokters wisten van de ogen.
Voor de buitenwereld had ze de ogen zorgvuldig geheim gehouden.
Veel bezoek trouwens hadden ze nooit gehad.
De sportpagina aan de muur hing er doelloos bij.
Het was de jongen van de wasserij die er haar op wees.
Of ze misschien zo dol op sport was?
Ze wilde een verklaring verzinnen, maar de jongen wees op de stoere voetballer die de helft van de pagina vulde.
Hij knipoogde zoals mannen dat doen als ze over vrouwen praten.
'O ja, dat is een vriend. Ik bedoel, familie. Verre familie.' probeerde ze zich te verdedigen.

Onder het dressoir vond ze die avond het schrijntje . In drie stukken.
Verschrikt keek ze rond.

Op de zetel lag de poes.
Met iets heel teders in haar anders koude ogen.


01:12 Gepost door VOF De Kleine Studio Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

1